Opa bus

‘Opa bus. Brabbel brabbel opa bus. Brabbel opa bus.’
Zijn voetstapjes komen dichterbij tot hij in de deuropening van de keuken verschijnt. Zijn serieuze gezichtje kijkt naar me op.
‘Opa bus.’ En hij wijst naar de kamer waar opa sliep. ‘No opa.’
‘Opa is weggegaan met de bus, hè schatje.’
‘Opa. Weg. Bus.’
‘Ben je een beetje verdrietig?’
‘Ja…’

*slik*

‘Opa komt wel weer een keer liefje.’
‘Tam brabbel bus nee. Brabbel mama bus nee. Opa bus. Brabbel brabbel Tam mama no bus,’ legt hij me hoofdschuddend uit. Wij zijn niet met de bus weggegaan. Alleen opa.

*slik*

Bruggen slaan

In de tijd dat ik opgroeide, waren Duitsers nog altijd stom. En slecht. En fout. En hoewel ik altijd van mening ben geweest dat ‘de Duitsers van nu’ toch niet verantwoordelijk zijn voor ‘de Duitsers van toen’, voelde ik ook altijd wel ‘iets’ van binnen als het over Duitsland ging, of als ik Duits hoorde praten. Iets. Lekker vaag. Noem het een zekere afkeer. Of het in zeker opzicht neerkijken op. Of een niet echt op iets concreets gebaseerde afwijzing.

Geschiedenis schiet wortel, en als je alleen kijkt naar voorbije oorlogen en de huidige relaties tussen desbetreffende volkeren en landen, zijn daar over de hele wereld genoeg voorbeelden van te vinden.

Vandaag zaten we heerlijk aan het strand te lunchen, toen zoon S besloot dat hij wilde slapen. Ik legde hem in zijn buggy, waar zijn oog voor het eerst op de driejarige buurjongen viel. Van slapen kwam niets meer. De buurjongen zat te eten, dus S wilde natuurlijk ook weer eten. Om de paar seconden draaide hij zich om in zijn stoel om te zien wat de jongen nu weer deed. Toen het jochie klaar was met eten en met een handvol voertuigjes naar een grote bank liep die achter ons stond, was S ook klaar met eten. ‘Mama, uit!’ Maar zonder op mijn hulp te wachten, gleed hij al van zijn stoel.

Het blonde mannetje had een locomotief, een zandschuiver en twee tractors in zijn kleine handen. Hij gaf de coolste tractor aan mijn donkerharige peuter. Die glimlachte dankbaar en opgetogen en keek naar wat de oudere jongen deed – om dat daarna ook te doen. Fabian, zo heette hij, begon een heel verhaal in het Duits. S antwoordde in een haast onverstaanbare mix van Nederlands, Catalaans, Spaans en zijn eigen taal. En o, wat hadden ze een lol! Ze hebben daar wel een halfuur zoet staan spelen samen, onder het goedkeurende oog van hun ouders, andere restaurantgasten en het personeel. Iemand zei: ‘Wat maken kinderen toch gemakkelijk vrienden.’

Ik dacht aan hoe waar dat is. Kinderen maken – over het algemeen – enorm makkelijk vrienden. Zelfs al spreken ze niet dezelfde taal, toch begrijpen ze elkaar. Ze spelen samen, praten samen, hebben samen lol. Ze zijn nog ‘schoon’, kennisloos wat betreft aardse zaken, en communiceren onbevooroordeeld met elkaar. Duitsland-Nederland is wat hen betreft gelukkig niet beladen. De Europese Unie is maar één land, crisisloos. Grenzen bestaan niet. Alleen maar bruggen.

kinderen-volwassenen: 1-0

Kater

‘Hai mama,’ klinkt het lieflijke toontje van m’n peuterzoon. Hij leunt over me heen en drukt zijn elleboog in een pijnlijke schouderspier. ‘Hai mama,’ probeert hij weer.
‘Hai schatje,’ antwoordt mijn hese, raspende stem. Ik grijp blind naar mijn telefoon, druk op een knopje en even word ik verblind door het felle licht. Ik knijp geïrriteerd met mijn ogen. Dan zie ik de klok: 6.59 uur. Nee, nee, nee. Dat kan niet. Daar ben ik het niet mee eens. Ik zag dat zijn ogen pas om 0.37 uur dichtvielen, die van mij dus ietsjes later.

Dan laat hij zich over me heen vallen en gaat op de bedrand zitten. Hij knipt het licht aan. ‘Moemogge-ge,’ zegt hij vrolijk. Nou, zo’n goeiemorgen is het niet hoor. Mijn hoofd voelt zwaar. Een doffe steek doet vervelend achter een oog. M’n mond is extreem droog doordat m’n neus al dagen dichtzit. Ah, toe nou, we móéten nog even slapen!
‘Kom je nog even bij mama liggen?’ probeer ik zo verleidelijk mogelijk.

Maar S is onverbiddelijk. De luiken gaan open en geven ruim baan aan het daglicht. De Franse deuren naar de huiskamer gaan open en even later hoor ik het geluid van dvd-doosjes die opengemaakt worden. Ik hoor het geluid van de aan-uitknop van de televisie. Ah, tijd voor Pieter Post. De marathon van gisteravond was nog niet uitputtend genoeg? Mijn gedachten gaan naar mijn arme Franse oppas, die tot middernacht Nederlandstalige kinderdvd’s heeft gekeken.

Ik had me stiekem weer omgedraaid en de deken extra strak over me heen getrokken, maar mijn droge mond vraagt om water. Het enorme glas op het nachtkastje is leeg. Shit. Voeten op de koude vloer. Joggingbroek aan. S kijkt verheugd als hij me vanuit zijn stoel in actie ziet komen. ‘Mama nee tapt,’ glimlacht hij werkelijk zo lief dat ik er blij van word.
‘Nee schatje, mama slaapt niet,’ bevestig ik.

In de keuken zet ik de ketel op het vuur, ga ik op zoek naar een paracetamol en doe ik boterhammen in het broodrooster. Zonder iets te zien, kijk ik wat in het rond, me bewust van mijn lamlendige lijf. Ik zie het wijnglas van de oppas en denk aan onze eigen cocktails. Het was een heerlijke avond, samen met m’n vader in ‘ons’ fonduerestaurant. Veel gelachen, lekker genoten en het ontbrak ons aan niets. Maar ik geloof dat ik het vandaag bij water en paracetamol houd.

Homemade

Wat HAATTE ik handenarbeid op school. Ik vond er werkelijk niks aan. Ik kon het ook niet goed, waarschijnlijk was dat de reden van mijn diepe afkeer van creatief bezig zijn. De afwerking was het altijd nét niet helemaal. Vamos, het zag er niet uit. Tekenen was ook zo’n vak. Wel leuk en geinig, maar ook heel frustrerend, want ik kon (kan) nog geen fatsoenlijke boom tekenen. Ik moet altijd heel hard lachen als een van mijn vriendinnen me wijst op een website waar, ook in mijn ogen, heel leuke creatieve projecten op staan. Gezellige handigheidjes voor in huis, originele kleding of speelgoed voor je kind, zelfgemaakte cadeaus, weet ik het. Heel erg leuk, maar helaas niet aan mij besteed.

Toch heb ik ook een Crea Bea in mij. Ik gooi de Expedit (voor de niet-kenners: Ikea) niet aan de straat als ik ‘m niet meer wil. Nee, ik haal hem uit elkaar en schroef wielen onder een van de lange planken die dan onder mijn bed als opslag dienstdoet. Ik schilder de kleine plankjes met dezelfde latexverf als waar de muur mee beklad is, schroef er van die houders aan, boor gaten in de muur en heb dan heel handige plankjes. Of ik zaag een plank in smalle, korte stukken, schilder die en bevestig ze aan de muur waar ze de functie van kaarsenhouder hebben. Mijn zelfgemaakte – zelfgezaagde, niet vastgelegde – drempel was ooit onderdeel van een boekenkast. Er moeten toch nog heel wat andere voorbeelden te noemen zijn, maar ze komen niet tot me, op dit moment.

Anyway, vandaag had ik weer een crea-moment!

Het eerste wat mijn zoon doet als hij op de crèche de klas inloopt, is autootjes door een buis rollen en daar heel hard om lachen. Dus toen ik vandaag een man een lange buis bij het afval zag neerzetten, wist ik het wel! Ik heb gezaagd, ik heb kijkgaten gesneden en ik heb gewrikt met een schroevendraaier. Ik heb geverfd, gemeten en rondjes getekend waar morgen gaatjes geboord gaan worden. Dat ding gaat aan de muur, scheef uiteraard, anders werkt het niet, er komt een doos onder die de auto’s opvangt en klaar. Een homemade autotunnel!

Tel het aantal uitroeptekens; je ziet hoe enthousiast ik ben. Zal ik dan maar een homemade blog beginnen?

Geuren van het verleden

Als ik de droge was van het rek haal en opvouw, druk ik altijd wel een handdoek of T-shirt tegen m’n neus. Zo ook vanmorgen. Altijd neemt de geur van mijn wasverzachter me mee naar het huis van de vader van mijn zoon. Naar zijn trui. Naar zijn lakens. Altijd dompel ik me dan een seconde of twee, drie in nostalgie. Langer niet.

Ik mijmer wel langer door als ik langs de bloemist loop en viooltjes of geraniums ruik. De bloembedden rond het gras in de tuin van het plattelandshuis van mijn opa en oma stonden er vol mee. Met mijn ogen dicht ben ik weer een heel jong meisje, een mollig ding dat in haar zeeblauwe bikini in het gras speelt met haar vijf jaar jongere nichtjes. Ik hield van die tuin, wie niet? Veel gras om op te spelen en over te rennen, veel bloemen om aan te ruiken en – helaas – ook veel bijen en wespen die erop afkwamen. Het grasveld bestond uit twee stukken die van elkaar werden gescheiden door een bloembed met een boom en wat struiken. Op het kleinere stuk hielden we een barbecue of speelden we badminton. Vanuit de tuin keek je over het maisveld aan de overkant van de smalle landweg. Bij de verbouwing van het huis verdween de tuin zoals hij was. Ik heb daar jarenlang verdriet van gehad en nog steeds mis ik die veelkleurige, heerlijk ruikende oase.

Van de geur van anijs word ik altijd blij, maar ik zou niet weten waarom. Redbull vinden velen smerig, maar ik hou van die vies-zoete geur. Hij hoort bij lange roadtrips en – sorry, maar ik vind dat ik eerlijk moet zijn – ondamesachtig harde boeren.

Een heel enkele keer, echt zelden, passeer ik een man op straat die het kruidige parfum Fahrenheit draagt. Ik snuif dan eens extra en denk aan mijn eerste echte liefde. Laatst vond ik een hangertje dat hij me destijds – ik was 15 jaar en obsessief verliefd – gaf en ik rook het bijna. Of het überhaupt Fahrenheit heet, weet ik eigenlijk niet eens zeker.

Over parfums gesproken: er is een heel lekker damesparfum, maar ik weet niet hoe het heet, dat ik eigenlijk helemaal niet meer lekker vind. Al is het een jaar of twaalf geleden, ik loop zo weer door de voordeur naar binnen van iemand die ik ooit kende. Zij rookte en was zo iemand wiens haar, huid en kleding naar rook stonk. En als ware het gisteren kus ik haar gedag terwijl de mengeling van sigarettenrook en dat heerlijk zoete, sensuele parfum mijn neusgaten prikkelt. En ik denk: hoe is het toch mogelijk dat mannen met jou mee naar huis gaan?

Als ik met m’n zoon in de dierenwinkel ben, brengen de vele geuren me terug naar de tijd waarin mijn hond nog bij me was. Af en toe mis ik dat: hem ruiken. Niet die vage hondenlucht die in huis kan hangen als er onvoldoende gelucht wordt, of het intens smerige nattehondenaroma. Maar dat lekker muffige achter zijn spitse oren, of dat wat achterbleef op mijn handen als ik hem flink gekroeld had. Dat is natuurlijk heel persoonlijk, want alle andere honden stinken, dat dan weer wel. Niks lekkers aan als ik de hond van een kennis geaaid heb. Zo dacht iedereen vast ook over mijn ‘sneeuwbal’.

Ik ruik ook graag aan m’n zoon. Als hij net wakker is, lekker slaapmuffig. Als hij net in bad is geweest, Zwitsalfris. Ik ruik graag aan zijn kroeldoekje: het is een mengeling van heel veel hem, Zwitsal bodylotion, een zweempje pepermuntachtig Luuf en een beetje opgedroogd speeksel. Jammie. Zwitsal rook voor mij altijd naar vroeger en schoon en gaf me een vrolijk, geborgen gevoel. Het gaf een gevoel van thuis. Nu zal ik het voor altijd associëren met S.

Kamillethee ruikt naar mijn andere S. Tijdens mijn zwangerschap van haar dronk ik er, op aanraden van een vriendin, liters van om mijn misselijkheid tegen te gaan. Nog jaren erna werd ik misselijk van de geur van kamillethee, nu kan ik weer af en toe een kopje drinken.

En op dit moment, waarop ik aan het schrijven ben, is er niets dat me meeneemt naar het verleden. Mijn nieuwe thuisgeur komt uit de keuken waar muffins met dadels, havermout en bruine suiker staan te bakken. Lekker.

Vader

Op Facebook verschijnen de eerste gelukswensen en foto’s van kindertekeningen: het is Vaderdag in Spanje. Aangezien dit pas het eerste jaar is dat S naar de crèche gaat, wist ik niet goed wat me te wachten stond. Of hij met een (door de juf) zelfgemaakt knutselwerkje thuis zou komen, of een simpele tekening (lees: slordige lijnen willekeurig over het papier gekrast). En dat die dan voor mij was, ‘Voor papa’ voor mama. Maar aangezien hij ziek thuis is, gaat voor het derde jaar op rij de Día del Padre ongemerkt aan ons huis voorbij.

Ik heb daar de laatste tijd wel over nagedacht, hoe ze dat op de crèche zouden aanpakken en of er dan ook uitgelegd zou worden wat Vaderdag is. En of S dat dan zou snappen, of dat ie daar nog wat jong voor is. Maar vanmorgen vertelde iemand me dat Vaderdag al lang niet meer gevierd wordt op school. Blijkbaar zijn er zo veel uiteengevallen en verschillend gestructureerde gezinnen zonder aanwezige vader, dat ze die dag liever niet vieren. Vermijden is misschien beter gezegd.

Ik vermoed dat ik nog zeker een jaar gevrijwaard ben van simpele, doch zwaarbeladen vragen. Maar ooit komen ze: ‘Wat is een vader? Wie is mijn vader? Waar is mijn vader? Waarom is hij daar en niet hier? Waarom? Waarom? Waarom?’

Ai, de ‘daaroms’…

Lunchafspraak

Gister werd ik door mijn allerbeste vriend A en een vriendin van hem meegenomen naar Falset, een dorpje bij Reus in de provincie Tarragona. Zijn ex-huisgenoot heeft daar op het platteland een piepklein, maar o zo fijn huisje met zwembad, terras, moestuin, zandbak en basket-/voetbalveld.

DSC_0589We hadden met een groep vrienden afgesproken voor een lunch. En dat gaat dan natuurlijk op z’n Spaans. Wegrijden om 10.00 uur wordt 10.30 uur. Verzamelen om 12.00 uur betekent dat iedereen er rond een uur of 13.00, of zelfs later, wel is. Nou is dat niet zo erg bij zo’n huis, met een biertje in je hand. Rondhangen, beetje voetballen, bijkletsen tot 14.00/14.30 uur, omdat niemand kan beslissen dat we nú naar het andere huis gaan waar we de calçots op de barbecue gaan leggen.

Eenmaal bij het andere huis stookt de ex-huisgenoot de houtkachel binnen op, dekken een paar vrouwen de tafel terwijl een paar anderen zich bezig houden met het kindergrut, ontfermen twee mannen zich over de overdekte barbecueplaats waar aardappels, artisjokken en vlees gegrild worden en gaan de meeste heren naar de plek waar de calçots op het houtvuur gelegd worden (zie foto).Dat is natuurlijk het allerleukst. Een vuurtje stoken van smalle takken, calçots zwart laten blakeren op het vuur, paniek zaaien om het vuur dat uitgaat, roosters van het vuur halen en je hand branden, nieuwe takken erop gooien, roosters weer terugleggen, de zwartgeblakerde calçots in kranten wikkelen, een nieuwe lading op het vuur leggen, weer paniek zaaien om het dovende vuur…

Inmiddels wordt er flink gesnackt van olijven, kaas, fuet en chips, maar hoewel er heel wat magen rammelen, maakt niemand haast. Want waarom zou je? Rond 16.00 uur staan we rond de tafel waar we de calçots flink in de romesco dippen en ze in onze keel laten glijden als ware het haringen. Dan komen de verschillende worsten, lamskarbonades en geroosterde vissen op tafel. Om een uur of 17.30 zet iemand voor veertien man koffie met een eenmansapparaatje en wordt het toetje aangesneden. De kinderen spelen in een aangrenzend weiland waar ze voetballen en hazelnoten zoeken. Wij staan buiten waar we over het heuveachtige landschap uitkijken terwijl we zoete coca met chocola eten, roken en digestivos drinken. Om 18.00 uur zegt de eerste dat ‘we zo naar huis gaan’. Dat betekent dat we na 19.00 uur wegrijden, S na een minuut knock-out ligt te snurken in zijn kinderstoel en we thuis iets voor 21.00 uur de drempel overstappen.

Om 10.00 uur de deur uit lopen en om 21.00 uur weer thuiskomen. Da’s nog eens een lunchafspraak.

Honger

Ik geloof niet dat ik de laatste jaren ooit over straat ben gegaan zónder dat ik een dakloze of bedelaar heb gezien. Serieus, er zijn er écht een heleboel. Sommigen zitten op de grond met een plastic bekertje en een kartonnetje waarop staat dat ze geen werk hebben en voor drie kinderen moeten zorgen. Sommigen zitten met een blik bier op een bankje op de Gran Vía. Anderen lopen voetje voor voetje – er is geen haast – met hun hele hebben en houden in drie grote, plastic boodschappentassen. Regelmatig zie ik een keurige, oude meneer door de prullenbakken voor mijn deur ritselen. Soms pakt hij er een halfopgegeten stokbroodje uit.

Soms koop ik iets extra’s bij de supermarkt en dan geef ik dat aan de meneer of mevrouw die daar in de buurt op de grond zit. Soms, als ik de leftovers van de dag eerder tóch niet wil, of ik baal van dat pak koekjes dat ik gekocht heb, dan laat ik dat bij een zwerver achter die de nacht in het voorportaal van de bank doorbrengt. Soms, zoals gisteravond, ga ik met een versgekookte hap de straat op, op zoek naar iemand met honger.

Ik had lekker gekookt, hutspot met wortel en gehakt. Ik kook niet zo vaak – mijn zoon eet warm op school – en voelde me er goed bij. Maar S weigerde te eten. Ik was er best een beetje boos over. Normaal gesproken laat ik het voorbijgaan en maak ik hem gereed voor bed. Maar gisteravond heb ik hem zijn schoenen en jas weer aangetrokken en hem meegenomen de straat op. Hij mocht de lepel vasthouden, ik het warme tupperware bakje. In de lift naar beneden tilde ik het deksel eraf: ‘Zie je dat? Jij wil het niet, maar dan heeft iemand anders te eten.’

Ik dacht zo een dakloze gevonden te hebben, maar het tegendeel was waar. Na een kwartier begon S te roepen dat hij wilde eten, maar ik hield vol: ‘Jij wilde niet, dit is voor iemand die het wél wil.’ We stonden al bijna voor de voordeur en ik was klaar om op te geven, toen ik een Aziatische man met een ongeschoren baard en viezige kleren op een fiets mijn kant uit zag komen. Er hing een karretje met zooi achter zijn fiets. Hij ging richting de vuilniscontainer voor mijn huis, duidelijk van plan die te doorzoeken op zoek naar spullen die hij weer ergens anders, bij de staalhandel ofzo, kon verkopen. We liepen op hem af en ik vroeg hem of ik hem een maaltijd aan mocht bieden, of hij al gegeten had. Hij keek vriendelijk, maar weigerde twijfelend. Ik zei hem dat ik al 20 minuten over straat liep, op zoek naar iemand die graag iets te eten wilde. Ik zei hem dat het vers was, net gekookt, met vlees en groente. Toen strekte hij zijn handen uit en zei dat hij het toch wel wilde. Hij nam de lepel van mijn zoon aan.

S en ik liepen naar binnen. Hij begon te zeuren dat hij wilde eten en bleef achterom kijken naar de meneer aan wie we net zijn prakje gegeven hadden. Boven warmde ik een nieuw prakje op, want ik had heus wel iets overgehouden. Ik zette het voor zijn neus, maar met een vies gezicht werd het prompt weer weggeschoven.

Nou, dan niet. Dan heeft iemand anders weer te eten.

Kleuterschool

Samen met vriendin A ontbijt ik met een scone met ricotta en abrikozenjam en een kop thee, Brussels breakfast (heus). Door de drukke straten van hartje stad loop ik te midden van velen die op weg zijn naar hun werk richting het station. In de trein lees ik vier pagina’s van Margriet de Moors debuutroman. Dan zijn we bij Baixador de Vallvidrera, waar ik eruit moet. De ochtendzon beschijnt de vele traptreden van het bospad omhoog. Hijgend sta ik even later bij de poort. De intercom is stuk. Kinderen rennen door de bomen over het mos. Het is speelkwartier, of liever gezegd speelhalfuur. Als een vader met zijn zoon naar buiten komt, loop ik de poort door richting het oude gebouw.

Binnen moet ik even wachten tot de meneer van de administratie er is. Een meisje komt mopperend voorbijgelopen en ploft neer op een stoel naast me.
‘Ben je boos?’ vraag ik.
‘No,’ klinkt het, boos.
‘Ben je verdrietig?’ Ze begint een heel verhaal waar ik alleen het begin maar van begrijp. ‘Sorry, een beetje langzamer alsjeblieft. Ik ben niet heel goed in Catalaans,’ zeg ik verontschuldigend. Met een mij terechtwijzende zucht begint ze (te) langzaam in het Spaans uit te leggen dat ze haar diadeem is kwijtgeraakt. Dan loopt ze naar boven om aan de juf te vertellen wat er is gebeurd. Ik wandel langs het prikbord met roosters en aankondigingen naar buiten en ga voor de deur op de trap zitten.

Ik kijk naar de kinderen die zich over de enorm uitgestrekte speelplaats verspreid hebben. Groot en klein. Een enkeling alleen, de meesten in groepjes. Meisjes die plannetjes bekokstoven, jongens die voetballen. Peuters die van de glijbaan roetsjen, kleuters in de touwen. Ik probeer me voor te stellen hoe mijn zoon hier straks rondrent, in welke hoek van het bos hij gaat spelen en met wie. Hij zal elke dag met vieze kleren thuiskomen, komt het in me op. Lerare(sse)n staan met een dampende kop koffie of thee in de hand te kletsen terwijl ze met een half oog hun klas in de gaten houden. Ik zie een leraar die er bijzonder aantrekkelijk uitziet. Vriendelijk gezicht, dikke bos donker haar. Die was me tijdens de open dag ook al opgevallen. Focus! Daarvoor ben je hier niet!

Ik kijk naar de ingevulde papieren in het plastic in mijn hand. Een inschrijffomulier met een stapel kopietjes van onze id’s, gezondheidspasjes, familieboekje, inschrijving bij de gemeente, eenoudergezinpas, m’n ‘vreemdelingennummer’. Allemaal nodig om hier een plekje voor m’n zoon te kunnen veroveren. Mijn gedachten dwalen voor de tweede keer in een week tijd af naar mijn eigen kleutertijd, hoe ik dat ervaren heb, wat ik ervan meegekregen heb, hoe ik daar later aan terugdacht. Ineens word ik overvallen door een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kies met deze papieren voor de toekomst van mijn nu-nog-peuter. Hier gaat hij straks het grootste deel van zijn tijd doorbrengen. In dit gebouw. Tussen deze bomen. Met deze kinderen.

Dit is écht een big deal.

Als ik 20 minuten later naar beneden richting het station loop, wijk ik van het pad en zoek ik over de bosgrond, over takken en bladeren door de bomen mijn weg. Het is bijna stil. In de verte, aan de andere kant van het dal, hoor ik een hond blaffen. Zo’n 100 meter verder staat een schoolklas in het bos; hun kinderstemmen klinken vrolijk en vol opwinding over het bijzondere uitje. Ik bemerk een huppeltje in mijn stappen. En ik denk: welke kleuter wil hier nou niet naar school?

Protest

Gisteravond ging het zoveelste protest van 2013 voorbij mijn huis een van de grote verkeersaders van Barcelona over. Het waren studenten. Misschien ook wel docenten, dat weet ik eerlijk gezegd niet. Ze waren niet met heel veel, de groep demonstranten nam niet meer dan een huizenblok in beslag. Ze droegen fakkels en riepen leuzen om zo de aandacht te vestigen op hun ontevredenheid wat betreft de bezuinigingen op hun onderwijs.

Het was een mooi protest, hoewel dat op de foto niet zo overkomt. De fakkels gaven het een aparte sfeer, mooi en beangstigend tegelijk. Beangstigend, omdat een fakkel zo makkelijk gegooid is, onder een auto, in een container. En we weten allemaal dat er in Barcelona nogal eens een container of auto in lichterlaaie gezet wordt tijdens een demonstratie. Maar de vlammen en het geroep maakten ook een andere indruk.

Saamhorigheid – we zitten allemaal in deze zinkende schuit die onze educatie is. Rouw – de bezuinigingen leiden onherroepelijk tot slechter onderwijs en dat gaat ten koste van onze toekomst. Wanhoop – wat rest ons nog te doen om de betrokken ambtenaren ervan te overtuigen dat dit niet kan? Frustratie – we willen leren, we betalen voor onderwijs, maar het gaat alleen maar bergafwaarts.

De straat op, allemaal!

Wat het ook mooi maakte, was het gepassioneerde geluid dat die tientallen, misschien tweehonderd mensen voortbrachten. Relatief weinig stemmen maakten o zo veel lawaai. Ik hoorde ze lang nadat ze mijn huis gepasseerd waren nog schreeuwen.

StudentenprotestWat jammer was, maar o zo typisch, is dat voor die paar demonstranten een heleboel mossos, oftewel ME’ers waren opgetrommeld. Achter de proteststoet kwamen ze aangerold; ik telde tien busjes en twee ambulances. Ik stond versteld van de stilte waarmee dat gepaard ging. Normaal gesproken is er altijd herrie rondom mijn huis vanwege het vele verkeer. Maar nu er geen verkeer reed vanwege de manifestatie, was het, qua auto’s althans, stil op het kruispunt voor mijn ramen. In de verte waren de demonstranten nog te horen, achter hen aan kropen de busjes met hun zwaailichten aan muisstil over het asfalt. Alsof niemand mocht weten dat ze stiekem de achtervolging hadden ingezet.

Vorig jaar is in Spanje in totaal 42.160 keer geprotesteerd. De cijfers van Barcelona, geen idee. Maar elke week wordt er minimaal één keer ergens gemarcheerd, geroepen, gefloten, gescholden en gehuild. Want dat de crisis veel kapot maakt, moge duidelijk zijn.

Altijd als een groep demonstranten onder mijn ramen voorbijtrekt, gaat er een rilling door mijn lijf. Negen van de tien keer voel ik mijn keel dicht gaan van emotie. Het is zo gaaf om te zien hoe mensen dusdanig gepassioneerd zijn over iets dat ze de straat op willen gaan om zich te laten horen. De saamhorigheid die daarbij hoort: wow. Maar het is ook zo verdrietig dat het blijkbaar nodig is om je stem te laten horen, keer op keer op keer. Als toeschouwer, want ik loop slechts in gedachten mee, proef ik de frustratie, de woede, de machteloosheid. En ik begrijp het, zó goed. Dan denk ik: ja, de straat op, allemaal! En tegelijkertijd vraag ik me af: zou het zin hebben?

Dommetje

‘Het klinkt allemaal wel heel mooi, dat ze die kleuters normen en waarden en een ander soort basis willen bijbrengen. Dat ze leren respect te hebben, empathisch te zijn, leren om te gaan met mensen met handicaps, aan het milieu te denken, noem maar op. Maar wat hebben die kinderen daar nou aan? Ik wil niet dat mijn zoon straks als ‘dommetje’ door het leven gaat,’ aldus vriendin H. ‘Ik heb liever dat hij leert rekenen, lezen en schrijven,’ vult ze aan.

Dat stuit me zó tegen de borst. Natuurlijk begrijp ik wat ze bedoelt te zeggen. Ze is bang dat er straks over haar zoon heen wordt gelopen, figuurlijk dan. Dat hij het moet afleggen tegen kinderen die hun educatie op een grote privéschool hebben genoten en daardoor wellicht genadeloos, ongevoelig en zelfs wreed kunnen optreden. Ze is bang dat die kinderen professioneel aan het langere eind zullen trekken. Alsof kinderen dat leren op een privéschool. Alsof kinderen die naar een klein publiek schooltje in het bos gaan en elke week dezelfde boom en zijn omgeving bestuderen niet wreed kunnen zijn.

Ik vind het zó ongelooflijk en verschrikkelijk dat mooie karaktereigenschappen, goede normen en waarden, gewoon vriendelijk, eerlijk en behulpzaam zijn, moeten wijken uit angst. Angst dat anderen die onvriendelijk, oneerlijk en niet behulpzaam zijn blijkbaar dus de overhand hebben in hun latere leven.

Wat ik beangstigend vind, is dat dit natuurlijk veel verder gaat dan onderwijs alleen. Want H staat uiteraard niet alleen in haar gedachtengangen. Wat wordt er thuis aan de eettafel besproken? En op wat voor manier? Wat voor mensjes worden er tegenwoordig gekweekt? Wat voor een lol valt er over dertig jaar nog te beleven als de meerderheid egoïstisch is en alleen maar aan zijn eigen hachje denkt?

– mijn gedachten gaan in overdrive en gaan alle kanten op; ik kan ze niet ‘even’ gecomprimeerd opschrijven

Weet u, ik ben zelf zo’n ‘dommetje’: ik ben vriendelijk, niks gooi ik op straat of in de bosjes maar alles in de prullenbak, ik ruim zooi van andere mensen op, hou deuren open, scheid plastic, papier en glas, help de buurvrouw met haar vuilnis, doe vrijwilligerswerk, kwets mensen niet opzettelijk in ruzies. Ik kan nog wel duizenden woorden doorgaan – maar zal dat niet doen. Maar ik zal eerlijk toegeven: er is in mijn leven heel wat over mij heen gelopen. Het gebeurt nog steeds een enkele keer. Ik ben niet bijzonder geslaagd op financieel gebied en ik kan geen gebruik of misbruik maken van mensen, wat soms uiterst handig zou zijn. Liegen? Kan ik niet.

Maar doe mij toch maar zo’n ‘dommetje’ als zoon. Iemand om trots op te zijn, vanwege de persoonlijkheid die hij is. Iemand die wellicht op een mooie manier in zijn omgeving – of zelfs op grote schaal – verschil kan uitmaken. De slogan die overal klonk toen ik opgroeide klinkt nu in mijn hoofd: ‘Een betere wereld begint bij jezelf.’ Of was het ‘een beter milieu’? Hoe het ook zij, destijds dacht ik ‘ja ja, het zal wel’. Maar jaren later leert ervaring dat het écht waar is. En ook dat er maar weinig mensen zijn die daarnaar handelen. Geloofde iedereen het maar en leefde iedereen maar naar die paar woorden.

Ik zal mijn dommetje in elk geval bijtijds mijn hard geleerde levenslessen bijbrengen om te zorgen dat hij minder last heeft van zijn ‘dommigheid’ dan ik.

Fijn

O wat is het fijn om op een zaterdagmorgen, vroeg in maart in je T-shirt op het strand te kunnen zitten. Wat is het fijn om die warme zon op je lijf te voelen.

beachbabe

Beetje bijpraten met een vriendin, S probeerde voor het eerst te volleyballen, H oefende z’n rugbytechnieken… Volgens de grote thermometer langs de weg was het 20 graden en even een terrasje na het strand was dan ook een perfecte afsluiting van een zanderige ochtend. H en S stonden gebiologeerd te kijken naar twee straatmuzikanten en waagden af en toe een pirouette of zelfs een heupswing. Ik kwam onderweg naar de bus een verjaardagsgenootje tegen met wie ik al in geen maanden meer gesproken had; we hebben meteen een wijndrinkdate gemaakt.

Wat is het fijn om na zo’n ochtend thuis in de middagzon aan tafel te kunnen zitten, terwijl S zijn siësta slaapt. Rondkijkend door de kamer en het huis – wat zal ik eens gaan doen? –  vallen mijn ogen op twee hoopjes zand in de gang. Die kwamen uit de schoentjes van S gerold. Ze zijn getuige van onze eerste (was het wel de eerste?) stranddag van 2013.

Boswandeling naar school

Vandaag bezocht ik de puertas abiertas (letterlijk: open deuren) van een basisschool (3-12 jaar). Niet direct mijn meest geliefde bezigheid, maar vandaag pakte verrassend uit.

De afgelopen weken moest ik ‘de rondes’ doen, want volgende week moet ik m’n zoon inschrijven voor de kleuterschool en hopen op een plekje bij mijn school naar keuze. Wat ik zag waren betonnen blokken, weinig natuurlijk licht en docenten die me aankeken of ze water zagen branden als ik naar de onderwijsfilosofie van de school vroeg. Tot ik vandaag de trein naar de berg ten westen van de stad nam.

De zon scheen en met mijn winterjas over de arm liep ik hijgend het bospad omhoog. Ik kwam bij een oud, maar mooi wit gebouw, drie verdiepingen, midden in het bos op de berg. Het speelplein is dus bos en daar spelen ze drie keer per dag. Van binnen is het oud, maar reuzegezellig. Werkelijk de hele school, van de gangen tot de ramen en deuren, de eetzaal en alle klassen, hangt vol knutselwerkjes, tekeningen en andere kunstwerken van de kinderen. Het doet chaotisch aan, ik hou ervan.

De docenten zijn jong, de directeur incluis, en iedereen gaat casual gekleed. Er hangt een familiaire sfeer. De oudere kinderen helpen de jongere kinderen met de weg door het bos, met het wakker worden na de siësta, en je ziet dat ze zich daadwerkelijk bekommeren om hun welzijn. Elke week maken ze een boswandeling waarbij ze dezelfde boom en zijn directe omgeving bestuderen en zo écht ervaren en leren hoe de seizoenen invloed uitoefenen. Ze werken er met projecten die ze, na overleg met de kinderen die aangeven waarover ze graag willen leren, op touw zetten.

Vriendje Saul trok zo hard aan m’n haren dat ik er hoofdpijn van kreeg

Samenwerken, delen, empathie, tolerantie, respect voor de andere kinderen, volwassenen, je omgeving en de natuur: het zijn maar een paar van de pijlers waar ze ontzettend veel waarde aan hechten en waarop hun onderwijs gestoeld is. Het is een school voor rijk en arm, Catalanen en buitenlanders.

Ik ben dus superenthousiast!

Mijn basisschool stond niet in een bos, maar ik was er vandaag wel even terug. Ik herinnerde mij het speelplein, het overblijven, het voorlezen op de kleuterschool, het allereerste donkere meisje van de school – Nathalie was haar naam en ze pestte mij met regelmaat – juffrouw Aalsma van de eerste klas, de spreekbeurt over paarden in de derde en over dwergpapegaaien in de vierde – met mijn eigen apagornis roseicollis Kicky als mascotte. De beste van de klas willen zijn, vriendje Saul die op een dag zo hard aan mijn vlechten trok dat ik hoofdpijn had en ik vriendinnetje Saskia vroeg om het voor me uit te maken. Mijn haat jegens carnaval vindt op die school zijn oorsprong en terwijl ik nu schrijf, blijven de beelden over mijn netvlies schuiven.

Anyway, volgende week schrijven we ons in, hopende op een van de twaalf (!!) plekken.
Duimen dus.

Typisch

Typisch voor mij is het, om met ijskoude handen van het typen en dichtvallende ogen van de slaap, toch nog even achter de laptop te gaan zitten. Het is na middernacht en de wekker gaat om 7.00 uur. Voor die tijd, dat kan op elk willekeurig tijdstip tussen nu en dan zijn, wordt mijn zoon – en dus ik – ook nog een of meerdere keren wakker. Maar ik krijg ineens een ingeving. Een beeld voor mijn ogen, met woorden erbij. Er moet geschreven worden. Terwijl ik begin te typen, schieten de woorden ‘nieuw boek’ door mijn hoofd.

Typisch ik: om op een tijdstip als dit, zo’n groot project als dat heel impulsief te beginnen. Ik maak er nog net geen aparte map in ‘Mijn Documenten’ voor aan.

Hoe ver zou ik komen? Hoeveel bladzijden gaan dit worden? Ik ken mezelf, vandaar mijn woordkeus ‘typisch ik’. Want hoe vaak ben ik al niet midden in de nacht aan tafel blijven zitten, met een daadwerkelijk mooi idee, bijna altijd op iets waargebeurds gebaseerd, zonder dat daar uiteindelijk ook maar iets concreets uit voortkwam?

Ik weet niet hoe vaak. Maar, ondanks dat ik het koud heb en moe ben, typ ik nog wel even verder.

Vrij

Look at me
I’m as helpless as a kitten up a tree
And I feel like I’m clinging to a cloud
I can’t understand
I get misty just holding your hand

Het was al even geleden dat ik dit nummer luisterde. Toen het vanmiddag door de luidsprekers in de bioscoopzaal galmde, kwamen de tranen opzetten. Natuurlijk kwam dat ook door de scène die gespeeld werd. Ik zat achter in de relatief kleine zaal. Schuin voor mij zat iemand. Verder vooraan zat iemand. Nog ergens daar in de buurt zat een stelletje. En de man die aan de andere kant van de trap naar beneden zat, was een halfuur eerder al vertrokken. Toen hij de trap af begon te lopen richting de uitgang, keek ik vluchtig zijn kant uit. Zijn doordringende ogen vingen de mijne en lieten me niet los. Even dacht ik: wat bedoelt hij daarmee? Maar ik werd weer naar het scherm getrokken. We keken met zijn weinigen Silver Linings Playbook, de Oscarwinnaar.

Het was lang geleden dat ik in de bioscoop zat. Zoete popcorn, chocola, een beker ‘vieze’ automaatcola, jammie. Schoenen onder de stoel, fleecedekentje over mijn opgevouwen benen. Whatsappje naar vriendin N om haar deelgenoot te maken van dit genotsmoment. Ik vond het jammer toen de film afgelopen was. De aftiteling kon me niet lang genoeg duren.

Zo vaak krijg ik de kans niet om naar de film te gaan. Ze draaien bij de bios om de hoek nooit tijdens crèche-uren en gratis oppas is niet ‘voor de graai’. Maar sinds vorige week heb ik een deal met de moeder van een klasgenootje: zij een middag met de jongens en ik een middag met de jongens.

Om 18.15 uur stond ik vanmiddag een beetje verloren weer buiten. Ik had niet goed nagedacht over de invulling van mijn waardevolle vrije uurtjes. De regen was na twee dagen weggetrokken, ik zag blauwe lucht. Een eindje wandelen? Niet op regenlaarzen. Shoppen? Geen geld. Windowshoppen? Niks aan. Nog een filmpje? Te laat thuis. Werken dan maar? Nee! M’n zoon halen? Geniet nou even! Vriendin A bellen. Geen tijd. Vriendin J bellen. Nam niet op. Ik slenterde naar een pleintje en keek wat om me heen. Voelde me raar. Ik was vrij, joepie! Ik was vrij, en ik wist niet goed wat. Blegh.

Ik ben toch maar naar huis gegaan. Laptop open. Werk erbij. Om 19.30 uur stond ik bij H voor de deur. ‘Ben je er nu al?’ De jongens zaten nog te eten. Vrijdag is het haar beurt om vrij te zijn. ‘En wat ga je doen?’ ‘Naar de film, maar niet de vroege. Ik ben niet voor half negen thuis hoor.’ Volgende keer ga ik ook naar de late film. En misschien moet ik eens een lijst maken met alle dingen die ik zou willen doen. Als ik dat nog weet tenminste, wat ik wil. Maar dat is voor een volgende keer…