Brrrrrroemmmm

‘Brrrrroemmmm, brrrroemmmmm. Mama mira, mama mira!’ Als mama niet direct ‘miraat’, gaat het volume omhoog.
‘MAMAAA! MIRAAA! Brrrrroemmmmm. Traktror. Mama mira, traktror. Brrrrrroemmmmm.’ Deze ‘traktror’ kan ook vliegen. Hij wordt door de lucht richting de door mij zelfgemaakte autotunnel – jaja, hij is nog immer in gebruik – gestuurd, waar vlak voor de ingang wordt stilgehouden.
‘Nee. Traktror niet. No cabe. Traktror niet. Moto niet. Vliegtuig niet. Helitat niet. No cabe.’ S schudt heel serieus met zijn hoofd. Hij herinnert zichzelf eraan dat de traktor, de motors, de vliegtuigjes en de helikopters niet in de autotunnel passen. Hij loopt naar de doos bij de uitgang van de tunnel en stapelt de plastic bussen, locomotieven en autootjes op zijn armen. Hij loopt er weer mee naar de andere kant van de tunnel en laat onderweg een en ander vallen.
‘Oh oh. Ha caido moto.‘ Maar één blik op wat hij nog wel in zijn armen heeft en hij pakt er zorgvuldig een rood autootje uit. Daar gaat ie, roetsjjjjj, door de tunnel. En nog een. En nog een. En dan een trein.
‘Jaaaaaa, auto! Noë auto! Noë auto! Tjen!’

Mannen en hun voertuigen…

Advertenties

Melancholie

18 april

Het zonnetje… herstel. De zon staat fel te stralen, ook al is het nog geen zomer. De kalme Middellandse Zee schittert de vroege strandgangers tegemoet. Een volle rondvaartboot glijdt voorbij richting het Forum. Bij de chiringuito leunt een groep Hollanders, Duitsers en Engelsen op hun rode huurfietsen terwijl de gids hun aandacht probeert vast te houden met een of ander verhaal – vermoedelijk over de visserswijk. Vanaf de kant van de haven klinkt in de verte de herrie van een drilboor waarmee een straat opengebroken wordt.

Hier zit ik dan. Met de laptop voor me en een fles water naast me. Aan zee. In de zon. Een briesje dat verraadt dat de winter nog maar net plaats heeft gemaakt voor de lente, maakt dat ik mijn dunne vestje nog even aanhoud. Op het scherm prijkt een Worddocument waarin ik een volgend boek schrijf.

Klinkt goed, hè? Zo veel redenen om gelukkig te zijn. Maar deze ochtend voel ik slechts melancholie, omdat ik weet dat de dag komt dat het geen optie is om hier te gaan zitten. Dat de zon mij niet meer zo intens verwarmt. Dat een tapasje niet meer zo besteld is en ik geen Catalaans of Spaans om me heen meer hoor. De onrust in mij wakkert steeds meer aan.

Regen

De regen komt vanmiddag met bakken uit de hemel. Dat gebeurt hier niet zo vaak en ik geniet er heel erg van. Zolang ik thuis ben dan.

Vanmorgen had ik veel gedaan en toen ik na een late lunch mijn ogen zwaar voelde worden, besloot ik tot een rustmoment. Met een dekentje over me heen maakte ik het me gemakkelijk op de bank. De deur naar het balkon stond open en het typische geluid van een natte straat vulde het appartement. Ik zette het alarm op mijn telefoon en gunde mezelf bijna een uur slaap…

… Ik schoot omhoog en griste mijn mobiel van de bankleuning. Was het nog zo vroeg of was m’n alarm niet afgegaan? 16.51 uur. NIET!! Ik vloog van de bank, graaide mijn tas van de tafel, en stapte in een regenlaars. Au! Ik trok mijn voet terug, draaide de laars om en er kwamen een poppetje en een draak uitgerold. Zo snel mogelijk trok ik mijn laarzen aan, keek nog of ik een paraplu zag, maar geen tijd om te zoeken! Ondertussen dacht ik aan Carmen, de crèchedirectrice die nu zo ongeveer de laatste ouders en kinderen naar buiten veegde. Ik dacht aan die arme S: zouden ze hem met zijn jas aan op de gang zetten?

Niet geheel ongevaarlijk rende ik de schuin aflopende treden van de trap af en gruwelde bij de gedachte aan alle rode lampjes op de taxi’s die ik zou gaan zien. Maar toen ik de deur openzwaaide, zag ik een groen lampje op 5 meter afstand. Hevig zwaaiend rende ik op hem af. Ik trok de deur open en plofte op de bank: ‘Kun je alsjeblieft heel hard rijden? De crèche gaat dicht, ik ben te laat.’
‘Waar moet ik heen mevrouw?’ En hij reed echt heel hard. In no time stond ik voor de deur. S liep als enige wat rond in de klas, de juf zei dat ze me net wilde bellen. Oh, wat voelde ik me slecht.

En toen moesten we ook nog naar huis. ’s Morgens had ik uit voorzorg zo’n plastic regenhoes voor de buggy bij de crèche achtergelaten. M’n zoon zat droog. Maar al gauw voelde ik een dikke druppel door mijn haren op mijn hoofdhuid belanden en zich een weg naar beneden zoeken. Na een paar minuten zag mijn trui donkerbruin. Mijn (ge)steil(d)e haar hing in krullen om mijn gezicht. Ik blies de regen van m’n neus en voelde zelfs af en toe een druppel onder mijn broek m’n bilnaad inkruipen. Filmscène ten top.

Inmiddels zitten we warm en droog binnen. Buiten is het zeiknat. Ik ben moe en kijk uit naar bedtijd. Ook heb ik me voorgenomen nooit meer een dutje te doen als ik S nog ergens op moet halen.

Klappen

Elke ochtend, soms rond een uur of negen, soms rond een uur of tien, loopt er een man voorbij mijn huis. Ik weet dat, omdat ik hem hoor.

Hij woont ergens in de buurt van de crèche. Dat denk ik, want op een ochtend kwam ik hem tegen op weg van huis naar de crèche. Ik hoorde het geluid van twee handpalmen die tegen elkaar kletsen en dacht: hé, dat klinkt bekend. Zou het? Het was ‘m.

Hij kijkt vriendelijk uit zijn ogen. Hij heeft donker haar, een flinke mat met krulletjes erin. Het is zo iemand van wie ik nooit weet of hij nou wel of geen bril draagt. Als ik hem zie, denk ik: o ja! Maar zodra hij voorbij is, weet ik het al niet meer. Hij draagt altijd een spijkerbroek en een T-shirt, en heeft altijd een rugzak om. ’s Avonds, soms rond een uur of zeven, soms acht, soms later, komt hij weer voorbijgelopen, nu de andere kant uit. Richting huis. Denk ik.

Altijd wanneer ik hem zie, of hoor, ben ik voornemens hem een keer aan te spreken. Hij klapt namelijk altijd in zijn handen. En ik meen dat het altijd hetzelfde ritme is. Ik zou je hier niet kunnen uitleggen hoe het klinkt, behalve dan dat er best een beetje tempo in zit.

Ik vraag me dan van alles af: hoe heet je? Waar ga je naartoe? Waarom klap je in je handen? Sinds wanneer doe je dat? Wat voor betekenis heeft dat ritme voor jou? Hoe eet je? Hoe drink je? Hoe ga je naar de wc? Is het vervelend om dan niet te klappen, of klap je al poepend verder? Hoe gaat dat als je wakker wordt, begin je dan gelijk met klappen, of wat voor andere handelingen en gedachten gaan daaraan vooraf? Heb je veel eelt op je handen of verzorg je ze elke dag? Wat doe je voor werk en wat vinden je collega’s ervan dat je de hele dag in je handen klapt? Of doe je dat misschien alleen als je loopt? Is het om je wandelgang te vergezellen of ondersteunen?

Ooit komt de dag dat ik de moed bijeenraap om hem aan te spreken, wanneer ik hem per toeval tegenkom. Ik heb me al vaak voorgesteld hoe ik dan naast hem ga lopen, zenuwkriebels in mijn buik, een rood blosje op mijn wangen.
‘Mag ik je misschien wat vragen?’
Daar beginnen toch soms de leukste gesprekken mee.

Mobiele eenheid

Een groep studenten schuift wat tafeltjes bij elkaar op een terras op het drukke plein. De hoge palmbomen benemen deels het zicht op de warme lentezon. Een paar van de meisjes is zomers gekleed, een van de jongens draagt een T-shirt. Een paar anderen wanen zich nog in de winter en gaan met hun jas aan zitten. De ober komt er direct aan om hun bestelling op te nemen. Een voor een kijken ze op van hun telefoon om een drankje door te geven. Sommigen nemen die moeite niet en blijven driftig sliden en typen terwijl ze verstrooid om una cerveza vragen.

Een enkeling kijkt eerst nog wat om zich heen, maar binnen no time zit de hele groep met de mobiel in de hand. Soms worden er wat woorden gewisseld, soms wordt een beeldscherm onder de neus van de buurman of -vrouw gedrukt. Ze hebben het er maar druk mee, met Facebook, durf ik te wedden. En Twitter. En Pinterest. En Instagram. En e-mail. Dat is natuurlijk ook heel belangrijk.

Ze gaan zo op in hun digitale wereld, dat ze niet zien hoe het hondje van een buurtbewoner een drol draait op het midden van het plein. Zij, het baasje, is een jaar of 58. Haar haren knalrood geverfd. Ze draagt een knalroze – zo’n neonkleur – shirt. Aan haar mollige benen plakt een legging met luipaardprint. Het is een tragikomisch gezicht.

De groep studenten ziet niet hoe een groepje duiven op zoek is naar eetbare kruimels. Tussen de grijze ‘ratten met vleugels’ trippelen felgroene papegaaien. Als een peuter op ze af komt rennen, vliegen ze bijna allemaal op. Twee dappere – of vooral hongerige – gevleugelden hupsen zenuwachtig opzij, kijken schichtig om zich heen, maar blijven ondertussen de pikbeweging richting de grond maken.

Een stel van middelbare leeftijd, overduidelijk toeristen, zit aan de andere kant van het terras. Beiden, ook de man, kijken vertederd naar een baby’tje in de armen zijn moeder. Ze ziet er goed uit, zonder wallen onder haar ogen.

Er stijgt gelach op uit de mobiele eenheid. Het lijkt erop dat tussen een paar meiden een geanimeerd gesprek begint. Of toch niet? Nee, het was iets grappigs, verstopt in een telefoon. De vingers tikken en sliden verder. Heel sociaal, die media.

Wakker

De klok wijst iets na middernacht aan. Haar ogen zijn waterig van vermoeidheid. Weg bij dat scherm. Het bed lonkt. De koele deken kalmeert haar lijf dat nog in werkmodus is. Slapen, of een documentaire kijken? De nieuwsgierigheid wint. Rond een uur of één vallen haar ogen dicht, het programma nog niet op de helft.

Onrustige dromen, een te warme deken. Ze wordt vervelend wakker. Jeuk. Ze knipt de lamp naast haar bed aan. Muggenbulten. Ze telt er vijf op haar pols en bovenarm. Haar telefoon laat zien dat het iets na 4.00 uur is. Een paar minuten blijft ze om zich heen kijken, maar de mug laat zich niet zien. Ze doet de lamp uit en vlijt zich op haar kussen, wapperend met de deken om wat koelte te creëren.

Nog geen minuut later klinkt het bekende gezoem bij haar oor. Ze vliegt overeind, zoekt naar de lichtschakelaar die ze in haar slaap aan en uit kan doen, maar nu niet kan vinden. Knip. Ze kijkt om zich heen, op de muur, langs het bed. Wappert langs de kast, langs het rijtje boeken naast het bed. Niks. Ze doet het grote licht aan, wacht nog een tijdje. Haar oog valt op stof in de hoek. Het is weer tijd om te stofzuigen. Dan ineens vliegt de mug voorbij, zo langs haar benen. Ze slaat in haar handen, maar mist.

Met het grote licht uit, maar het kleine aan, gaat ze maar weer liggen. Wachten en willen slapen blijkt geen goede combinatie. Gedachtes komen, maar gaan niet weg. Een maalstroom begint. Toch al het licht maar uit. Ze verstopt zich onder de deken. Maar net als ze zich langzaam voelt ontspannen klinkt er geknor vanuit haar maag. Shit. Honger. Ze draait zich weer om, probeert lekker te liggen, de gedachtes weg te drukken en de honger te vergeten. Tevergeefs.

Om 5.30 uur trekt ze haar veel te warme wintersloffen aan waarmee ze toepasselijk sloft naar de keuken. Een ketel water op het vuur, boterhammen in het broodrooster. Ze sloft naar de eettafel, die meer dienstdoet als werktafel, en zet de laptop aan. Ze leest de Facebookberichten van J en B, over de aardbevingen die ze op dit moment in Japan meemaken.

Dan ineens zien haar ogen iets bewegen, vanuit haar rechterooghoek tot boven haar toetsenbord. Haar handen klappen ineen en de mug valt dood op de letter A. Even kijkt ze naar het dode insectenlijf. Ze beseft dat de boosdoener haar niet meer kan lastigvallen. En haar eerder rammelende maag is nu gevuld.

Maar in plaats van terug te lopen naar de slaapkamer, opent ze een nieuw tabblad, neemt een slok thee en typt: Wakker.

Alledaags drama

De zon schijnt. Het is een mooie dag.

Oranje pilonnen versperren de twee laterale rijbanen van de vijfbaansweg in het midden. Een groepje agenten staat geanimeerd met elkaar te kletsen. Voor hen is het een normale werkdag.

Het voetgangerslicht springt op groen, maar weinig mensen steken over. De meesten blijven staan kijken. Met de handen in hun broekzakken of lurkend aan een sigaretje. Ze kijken richting de plek waar onder andere een politiebus en twee politieauto’s staan.

Als al het verkeer op de grote kruising even stilstaat voor het rode licht, is het geluid van een bezem hoorbaar.

Twee ambulances staan op de brede stoep tussen de hoofdweg en de laterale rijbanen. De deuren zijn dicht. Een paar meter verderop, half op de stoep, half op de weg, ligt een fel geelgekleurde brancard. Er ligt niemand op.

Een toerist, die een paar minuten eerder uit de speciale vliegveldbus is gestapt, wandelt met zijn koffer in de ene hand en een opgevouwen kaart van de stad in zijn andere voorbij. Hij kijkt omhoog naar de huisnummers en ziet niet hoe een politieagent zaagsel over de roodgekleurde stoeprand veegt.

De zon schijnt. Het is een mooie dag. Voor de meesten, althans.