Brrrrrroemmmm

‘Brrrrroemmmm, brrrroemmmmm. Mama mira, mama mira!’ Als mama niet direct ‘miraat’, gaat het volume omhoog.
‘MAMAAA! MIRAAA! Brrrrroemmmmm. Traktror. Mama mira, traktror. Brrrrrroemmmmm.’ Deze ‘traktror’ kan ook vliegen. Hij wordt door de lucht richting de door mij zelfgemaakte autotunnel – jaja, hij is nog immer in gebruik – gestuurd, waar vlak voor de ingang wordt stilgehouden.
‘Nee. Traktror niet. No cabe. Traktror niet. Moto niet. Vliegtuig niet. Helitat niet. No cabe.’ S schudt heel serieus met zijn hoofd. Hij herinnert zichzelf eraan dat de traktor, de motors, de vliegtuigjes en de helikopters niet in de autotunnel passen. Hij loopt naar de doos bij de uitgang van de tunnel en stapelt de plastic bussen, locomotieven en autootjes op zijn armen. Hij loopt er weer mee naar de andere kant van de tunnel en laat onderweg een en ander vallen.
‘Oh oh. Ha caido moto.‘ Maar één blik op wat hij nog wel in zijn armen heeft en hij pakt er zorgvuldig een rood autootje uit. Daar gaat ie, roetsjjjjj, door de tunnel. En nog een. En nog een. En dan een trein.
‘Jaaaaaa, auto! Noë auto! Noë auto! Tjen!’

Mannen en hun voertuigen…

Melancholie

18 april

Het zonnetje… herstel. De zon staat fel te stralen, ook al is het nog geen zomer. De kalme Middellandse Zee schittert de vroege strandgangers tegemoet. Een volle rondvaartboot glijdt voorbij richting het Forum. Bij de chiringuito leunt een groep Hollanders, Duitsers en Engelsen op hun rode huurfietsen terwijl de gids hun aandacht probeert vast te houden met een of ander verhaal – vermoedelijk over de visserswijk. Vanaf de kant van de haven klinkt in de verte de herrie van een drilboor waarmee een straat opengebroken wordt.

Hier zit ik dan. Met de laptop voor me en een fles water naast me. Aan zee. In de zon. Een briesje dat verraadt dat de winter nog maar net plaats heeft gemaakt voor de lente, maakt dat ik mijn dunne vestje nog even aanhoud. Op het scherm prijkt een Worddocument waarin ik een volgend boek schrijf.

Klinkt goed, hè? Zo veel redenen om gelukkig te zijn. Maar deze ochtend voel ik slechts melancholie, omdat ik weet dat de dag komt dat het geen optie is om hier te gaan zitten. Dat de zon mij niet meer zo intens verwarmt. Dat een tapasje niet meer zo besteld is en ik geen Catalaans of Spaans om me heen meer hoor. De onrust in mij wakkert steeds meer aan.

Regen

De regen komt vanmiddag met bakken uit de hemel. Dat gebeurt hier niet zo vaak en ik geniet er heel erg van. Zolang ik thuis ben dan.

Vanmorgen had ik veel gedaan en toen ik na een late lunch mijn ogen zwaar voelde worden, besloot ik tot een rustmoment. Met een dekentje over me heen maakte ik het me gemakkelijk op de bank. De deur naar het balkon stond open en het typische geluid van een natte straat vulde het appartement. Ik zette het alarm op mijn telefoon en gunde mezelf bijna een uur slaap…

… Ik schoot omhoog en griste mijn mobiel van de bankleuning. Was het nog zo vroeg of was m’n alarm niet afgegaan? 16.51 uur. NIET!! Ik vloog van de bank, graaide mijn tas van de tafel, en stapte in een regenlaars. Au! Ik trok mijn voet terug, draaide de laars om en er kwamen een poppetje en een draak uitgerold. Zo snel mogelijk trok ik mijn laarzen aan, keek nog of ik een paraplu zag, maar geen tijd om te zoeken! Ondertussen dacht ik aan Carmen, de crèchedirectrice die nu zo ongeveer de laatste ouders en kinderen naar buiten veegde. Ik dacht aan die arme S: zouden ze hem met zijn jas aan op de gang zetten?

Niet geheel ongevaarlijk rende ik de schuin aflopende treden van de trap af en gruwelde bij de gedachte aan alle rode lampjes op de taxi’s die ik zou gaan zien. Maar toen ik de deur openzwaaide, zag ik een groen lampje op 5 meter afstand. Hevig zwaaiend rende ik op hem af. Ik trok de deur open en plofte op de bank: ‘Kun je alsjeblieft heel hard rijden? De crèche gaat dicht, ik ben te laat.’
‘Waar moet ik heen mevrouw?’ En hij reed echt heel hard. In no time stond ik voor de deur. S liep als enige wat rond in de klas, de juf zei dat ze me net wilde bellen. Oh, wat voelde ik me slecht.

En toen moesten we ook nog naar huis. ’s Morgens had ik uit voorzorg zo’n plastic regenhoes voor de buggy bij de crèche achtergelaten. M’n zoon zat droog. Maar al gauw voelde ik een dikke druppel door mijn haren op mijn hoofdhuid belanden en zich een weg naar beneden zoeken. Na een paar minuten zag mijn trui donkerbruin. Mijn (ge)steil(d)e haar hing in krullen om mijn gezicht. Ik blies de regen van m’n neus en voelde zelfs af en toe een druppel onder mijn broek m’n bilnaad inkruipen. Filmscène ten top.

Inmiddels zitten we warm en droog binnen. Buiten is het zeiknat. Ik ben moe en kijk uit naar bedtijd. Ook heb ik me voorgenomen nooit meer een dutje te doen als ik S nog ergens op moet halen.

Klappen

Elke ochtend, soms rond een uur of negen, soms rond een uur of tien, loopt er een man voorbij mijn huis. Ik weet dat, omdat ik hem hoor.

Hij woont ergens in de buurt van de crèche. Dat denk ik, want op een ochtend kwam ik hem tegen op weg van huis naar de crèche. Ik hoorde het geluid van twee handpalmen die tegen elkaar kletsen en dacht: hé, dat klinkt bekend. Zou het? Het was ‘m.

Hij kijkt vriendelijk uit zijn ogen. Hij heeft donker haar, een flinke mat met krulletjes erin. Het is zo iemand van wie ik nooit weet of hij nou wel of geen bril draagt. Als ik hem zie, denk ik: o ja! Maar zodra hij voorbij is, weet ik het al niet meer. Hij draagt altijd een spijkerbroek en een T-shirt, en heeft altijd een rugzak om. ’s Avonds, soms rond een uur of zeven, soms acht, soms later, komt hij weer voorbijgelopen, nu de andere kant uit. Richting huis. Denk ik.

Altijd wanneer ik hem zie, of hoor, ben ik voornemens hem een keer aan te spreken. Hij klapt namelijk altijd in zijn handen. En ik meen dat het altijd hetzelfde ritme is. Ik zou je hier niet kunnen uitleggen hoe het klinkt, behalve dan dat er best een beetje tempo in zit.

Ik vraag me dan van alles af: hoe heet je? Waar ga je naartoe? Waarom klap je in je handen? Sinds wanneer doe je dat? Wat voor betekenis heeft dat ritme voor jou? Hoe eet je? Hoe drink je? Hoe ga je naar de wc? Is het vervelend om dan niet te klappen, of klap je al poepend verder? Hoe gaat dat als je wakker wordt, begin je dan gelijk met klappen, of wat voor andere handelingen en gedachten gaan daaraan vooraf? Heb je veel eelt op je handen of verzorg je ze elke dag? Wat doe je voor werk en wat vinden je collega’s ervan dat je de hele dag in je handen klapt? Of doe je dat misschien alleen als je loopt? Is het om je wandelgang te vergezellen of ondersteunen?

Ooit komt de dag dat ik de moed bijeenraap om hem aan te spreken, wanneer ik hem per toeval tegenkom. Ik heb me al vaak voorgesteld hoe ik dan naast hem ga lopen, zenuwkriebels in mijn buik, een rood blosje op mijn wangen.
‘Mag ik je misschien wat vragen?’
Daar beginnen toch soms de leukste gesprekken mee.

Mobiele eenheid

Een groep studenten schuift wat tafeltjes bij elkaar op een terras op het drukke plein. De hoge palmbomen benemen deels het zicht op de warme lentezon. Een paar van de meisjes is zomers gekleed, een van de jongens draagt een T-shirt. Een paar anderen wanen zich nog in de winter en gaan met hun jas aan zitten. De ober komt er direct aan om hun bestelling op te nemen. Een voor een kijken ze op van hun telefoon om een drankje door te geven. Sommigen nemen die moeite niet en blijven driftig sliden en typen terwijl ze verstrooid om una cerveza vragen.

Een enkeling kijkt eerst nog wat om zich heen, maar binnen no time zit de hele groep met de mobiel in de hand. Soms worden er wat woorden gewisseld, soms wordt een beeldscherm onder de neus van de buurman of -vrouw gedrukt. Ze hebben het er maar druk mee, met Facebook, durf ik te wedden. En Twitter. En Pinterest. En Instagram. En e-mail. Dat is natuurlijk ook heel belangrijk.

Ze gaan zo op in hun digitale wereld, dat ze niet zien hoe het hondje van een buurtbewoner een drol draait op het midden van het plein. Zij, het baasje, is een jaar of 58. Haar haren knalrood geverfd. Ze draagt een knalroze – zo’n neonkleur – shirt. Aan haar mollige benen plakt een legging met luipaardprint. Het is een tragikomisch gezicht.

De groep studenten ziet niet hoe een groepje duiven op zoek is naar eetbare kruimels. Tussen de grijze ‘ratten met vleugels’ trippelen felgroene papegaaien. Als een peuter op ze af komt rennen, vliegen ze bijna allemaal op. Twee dappere – of vooral hongerige – gevleugelden hupsen zenuwachtig opzij, kijken schichtig om zich heen, maar blijven ondertussen de pikbeweging richting de grond maken.

Een stel van middelbare leeftijd, overduidelijk toeristen, zit aan de andere kant van het terras. Beiden, ook de man, kijken vertederd naar een baby’tje in de armen zijn moeder. Ze ziet er goed uit, zonder wallen onder haar ogen.

Er stijgt gelach op uit de mobiele eenheid. Het lijkt erop dat tussen een paar meiden een geanimeerd gesprek begint. Of toch niet? Nee, het was iets grappigs, verstopt in een telefoon. De vingers tikken en sliden verder. Heel sociaal, die media.

Wakker

De klok wijst iets na middernacht aan. Haar ogen zijn waterig van vermoeidheid. Weg bij dat scherm. Het bed lonkt. De koele deken kalmeert haar lijf dat nog in werkmodus is. Slapen, of een documentaire kijken? De nieuwsgierigheid wint. Rond een uur of één vallen haar ogen dicht, het programma nog niet op de helft.

Onrustige dromen, een te warme deken. Ze wordt vervelend wakker. Jeuk. Ze knipt de lamp naast haar bed aan. Muggenbulten. Ze telt er vijf op haar pols en bovenarm. Haar telefoon laat zien dat het iets na 4.00 uur is. Een paar minuten blijft ze om zich heen kijken, maar de mug laat zich niet zien. Ze doet de lamp uit en vlijt zich op haar kussen, wapperend met de deken om wat koelte te creëren.

Nog geen minuut later klinkt het bekende gezoem bij haar oor. Ze vliegt overeind, zoekt naar de lichtschakelaar die ze in haar slaap aan en uit kan doen, maar nu niet kan vinden. Knip. Ze kijkt om zich heen, op de muur, langs het bed. Wappert langs de kast, langs het rijtje boeken naast het bed. Niks. Ze doet het grote licht aan, wacht nog een tijdje. Haar oog valt op stof in de hoek. Het is weer tijd om te stofzuigen. Dan ineens vliegt de mug voorbij, zo langs haar benen. Ze slaat in haar handen, maar mist.

Met het grote licht uit, maar het kleine aan, gaat ze maar weer liggen. Wachten en willen slapen blijkt geen goede combinatie. Gedachtes komen, maar gaan niet weg. Een maalstroom begint. Toch al het licht maar uit. Ze verstopt zich onder de deken. Maar net als ze zich langzaam voelt ontspannen klinkt er geknor vanuit haar maag. Shit. Honger. Ze draait zich weer om, probeert lekker te liggen, de gedachtes weg te drukken en de honger te vergeten. Tevergeefs.

Om 5.30 uur trekt ze haar veel te warme wintersloffen aan waarmee ze toepasselijk sloft naar de keuken. Een ketel water op het vuur, boterhammen in het broodrooster. Ze sloft naar de eettafel, die meer dienstdoet als werktafel, en zet de laptop aan. Ze leest de Facebookberichten van J en B, over de aardbevingen die ze op dit moment in Japan meemaken.

Dan ineens zien haar ogen iets bewegen, vanuit haar rechterooghoek tot boven haar toetsenbord. Haar handen klappen ineen en de mug valt dood op de letter A. Even kijkt ze naar het dode insectenlijf. Ze beseft dat de boosdoener haar niet meer kan lastigvallen. En haar eerder rammelende maag is nu gevuld.

Maar in plaats van terug te lopen naar de slaapkamer, opent ze een nieuw tabblad, neemt een slok thee en typt: Wakker.

Alledaags drama

De zon schijnt. Het is een mooie dag.

Oranje pilonnen versperren de twee laterale rijbanen van de vijfbaansweg in het midden. Een groepje agenten staat geanimeerd met elkaar te kletsen. Voor hen is het een normale werkdag.

Het voetgangerslicht springt op groen, maar weinig mensen steken over. De meesten blijven staan kijken. Met de handen in hun broekzakken of lurkend aan een sigaretje. Ze kijken richting de plek waar onder andere een politiebus en twee politieauto’s staan.

Als al het verkeer op de grote kruising even stilstaat voor het rode licht, is het geluid van een bezem hoorbaar.

Twee ambulances staan op de brede stoep tussen de hoofdweg en de laterale rijbanen. De deuren zijn dicht. Een paar meter verderop, half op de stoep, half op de weg, ligt een fel geelgekleurde brancard. Er ligt niemand op.

Een toerist, die een paar minuten eerder uit de speciale vliegveldbus is gestapt, wandelt met zijn koffer in de ene hand en een opgevouwen kaart van de stad in zijn andere voorbij. Hij kijkt omhoog naar de huisnummers en ziet niet hoe een politieagent zaagsel over de roodgekleurde stoeprand veegt.

De zon schijnt. Het is een mooie dag. Voor de meesten, althans.

30

Vandaag neem ik een goed glas wijn. Ik proost op mijn fantastische zoon en op mijzelf. Vandaag is hij namelijk 30 maanden oud, 2,5 jaar. Toen ik 30 jaar werd, vond ik dat heel wat. Nu zijn 30 maanden zijn niet zo veel jaren, het is zelfs niet een ‘rond jaar’, maar toch vind ik dit ook heel wat.

Van baby naar peuter; een klein mensje dat enorm kan schaterlachen, heel verontwaardigd kan kijken, een boze houding – echt of nep – kan aannemen met gekruiste armen en iets getuite lippen, heel verdrietig kan zijn en blij verrast, zeurderig of ronduit vervelend, ongekend verwonderd over iets, en overenthousiast. Een klein mensje dat z’n handjes op mijn wangen legt en zijn lippen keihard op de mijne drukt; soms omdat hij gewoon wil knuffelen en soms om me te manipuleren omdat hij weet dat hij iets gedaan heeft wat niet mag. Een klein, maar écht mens, met alle gevoelens van dien, zonder filter.

En ik dan: van redelijk onbezorgde vrouw naar verantwoordelijke, alleenstaande moeder. Dat is ook een belangrijk proces geweest, en nog steeds. Het draait niet meer om mijn geluk, dat is tijdelijk naar een verre tweede plaats geschoven. Het gaat er in eerste instantie om goede keuzes te maken op allerlei gebied voor een jongetje dat dat zelf nog niet kan. En laat ik eerlijk wezen: zijn geluk is het mijne. Hoe met hem om te gaan, waar grenzen te stellen, welke normen en waarden op welke manier over te brengen. Het zijn maar een paar vraagstukken die heel veel gebieden en details omvatten. Mijn keuzes voor hem zijn bepalend voor wie hij wordt. Dat neem ik niet licht. Het is niet iets wat je van de een op de andere dag leert. Toch moet je het van de een op de andere dag kunnen.

Voelen. Zo doe ik dat. Voelen, observeren, luisteren en handelen naar mijn intuïtie. En dan maar hopen dat ik het goed doe, want het zijn nogal een woelige dertig maanden geweest. Vol geluks- en wanhoopsmomenten. Vol twijfel. Zorg. Vermoeidheid. Trots. Vol blijdschap en ook vol verdriet.

Verdriet over het feit dat ik de enige ben die van hem geniet, zoals eigenlijk twee ouders dat zouden moeten doen. Verdriet voor S, die nu niet beter weet, maar later des te meer. Ik ben verdrietig dat hij, die ondanks dat hij hem kent, steeds weer voor een ander leven kiest. Hij kiest ervoor dit niet mee te maken. Hij kiest ervoor zich te onthouden van elk greintje verantwoordelijkheid. Hij kiest ervoor de liefde, waarvan hij zegt dat hij die wel voelt, voor zich te houden in plaats van te geven aan zijn zoon, die het zo verdient.

Gisteren, op een kinderfeestje in het park, kwam het toevallig ter sprake. Er werd naar de vader van mijn zoon gevraagd en ik vertelde dat hij simpelweg geen vader wil zijn. Voor ik het wist, was ik opgesloten in een warme omhelzing van een pas gescheiden vader van een 2-jarig meisje. ‘You’re a trooper,‘ fluisterde hij.
‘Nee joh, het is gewoon wat het is,’ antwoordde ik. Hij glimlachte, sloot zijn armen nog eens stevig om me heen en herhaalde:
You‘re a trooper and you’re doing great.‘ Ik keek naar mijn zoon die intussen met een volwassen man aan het voetballen was. Hij had zo’n lol. En ik dacht: je hebt gelijk. I am doing great! M’n zoon is een ontzettend lieve en vrolijke jongen (hoe cliché kun je zijn als moeder).

Dat sterkt me in mijn beslissing: na maanden overleg met mezelf, ben ik vandaag degene die kiest. Lang heb ik geprobeerd de deur open te houden, maar dertig maanden zijn genoeg. Mooie woorden zijn gesproken, maar ze blijken keer op keer zo ontzettend leeg. Je weet het leven dat je gegeven is op waarde te schatten, of niet. Ik kies nu voor ons tweetjes, voor m’n zoon en mijzelf, en neem er een lekkere, welverdiende slok op.

I prosy,’ zou mijn moeder zeggen. Op MIJN zoon.

Busmaffia

We lopen een bus in die van achter al vol zit. De twee enkele zitplaatsen helemaal voorin, voor ouderen, mensen slecht ter been, of mensen met kinderen, zijn ook bezet. Er zijn nog andere, grijze stoelen waar vier stickers bij hangen; een persoon met stok, een persoon met twee stokken, een zwangere vrouw, een vrouw met een baby. Ik ga daar wel vaker zitten als er nergens anders plek is, met mijn zoon op schoot. Maar omdat het vandaag druk is, zet ik hem op de extra brede, bijna tweepersoonsstoel en blijf ik ernaast staan. Daar kan straks nog wel iemand bij. Aldus geschiedt. Hij deelt de plek met twee verschillende mensen. Met zijn beentjes over de zijkant geslagen, neemt hij misschien 10 centimeter in beslag.

Dan, vanuit het niets, laat een dame van eind 40, begin 50 mij weten dat mijn zoon daar niet mag zitten. Kan ik geen stickers lezen? Dat is niet voor kinderen. Ik vraag haar vriendelijk wat haar probleem is met dat kleine jongetje en wat ze dan voorstelt dat ik met hem doe. Dat is mijn probleem, klinkt het kortaf, maar hij mag dáár niet zitten. Hij kan wel op de verhoging zitten achter de kaartafstempelaar. Ik zeg haar dat ik dat te gevaarlijk vind. Als de bus een keer bruusk remt – en dat doet ie de hele tijd – of over een bobbel rijdt, vliegt m’n kind zo de bus door. Ze stelt voor dat hij gewoon net als een ieder op zijn twee benen in de bus gaat staan. Ik zeg haar dat ik ook dat te gevaarlijk vind, we doen zelf al ons best rechtop te blijven staan. Ze zegt dan dat ik hem zelf in mijn armen kan nemen, waarop ik haar het plaatje schets van één arm om 15 kilo beweeglijk kind om me met de andere hand vast te kunnen houden. Eén keer op de rem en we liggen beiden op de grond.

Ik ben op dat moment nog redelijk rustig en denk er niet veel van. Ze moet niet zo zeuren, we benemen niemand een plek en bovendien, hallo, het is een 2-jarig jochie.

Maar ze krijgt bijval. En voor ik boe of bah kan zeggen, zijn er vijf mensen, (meerderheid dames!) die vinden dat mijn zoon niet mag zitten op die plek. Zoals het de Spanjaarden betaamt, worden alle meningen zo’n tien keer of zelfs vaker herhaald. Dat is geen grapje, het is doodvermoeiend om naar te luisteren. En dan de inhoud van hun boodschap: ik heb geen respect voor oudere mensen. Ik kan niet lezen. Ik kan geen tekeningen interpreteren. Ik ben uitschot.

Voor mijn ik-wil-dat-mijn-peuter-veilig-in-de-bus-zit-argumenten hebben ze geen oor. Vroeger konden we ons ook redden. En, geloof het of niet: je kind komt zeker op de eerste plaats en de rest kan het bekijken. Ja ja. Een moeder van mijn leeftijd staat aan de andere kant van het gangpad. Haar dochter, een jaar of 8, zit wel achter de kaartafstempelaar, maar die is dan ook wat ouder en heeft haar lichaam onder controle. Ze kijkt me aan en zegt zachtjes iets. Ik versta haar niet en twijfel of ze mijn of hun kant kiest. Ze herhaalt op mijn verzoek haar woorden: ‘Het is het niet waard.’ Ik zucht, ze heeft gelijk. En dat zeg ik haar ook. Waarop iemand die het woord ‘gelijk’ hoort weer begint dat ik geen gelijk heb. En de stortvloed van afkeuring gaat verder.

Terwijl ik continu woordelijk word belaagd door de grijze-stoel-vigilantes, voelt mijn schatje de spanning en huilt en zeurt dat hij eruit wil. Het lukt me niet om hem stil te laten zitten. Ik probeer de afkeurende blikken te ontwijken, me op mijn zoon te focussen, niets te horen van wat er gezegd wordt. Rustig ben ik al lang niet meer. Ik tril en ik voel mijn mondhoeken zenuwachtig trekken.

Te vroeg druk ik op de rode knop die meer dan ooit een noodknop is, een ik-wil-eruiiiit!-knop. Zodra de bus stilstaat, til ik S op en lopen we richting de uitgang. De boze anti-peutermenigte gaat nog geen centimeter opzij. Bijna bij de deur moet ik tot vier keer ‘Pardon!’ roepen, maar ik ben te laat. Niemand wijkt. De deuren sluiten en de bus rijdt verder. ‘Moet je maar eerder opstaan,’ snauwt een van de boosaardige mevrouwen, terwijl ik al die tijd gestaan heb. Trut. Een oudere man vraagt of hij me misschien kan helpen bij het uitstappen bij de volgende halte. Ik voel iets breken in mij en met een kurkdroge mond bedank ik hem vriendelijk. Eenmaal buiten zet ik gauw mijn zonnebril op. Niemand hoeft mijn tranen te zien.

Hindoe-vergif

Vanuit de verte komt rumoer. Een protest? Even later hoor ik zang en muziek. Een feestje? Mensen gaan aan de kant staan. Dan zie ik de signature zalmkleurige gewaden van Hare Krishna. Deze deels Hindoestaanse beweging heeft ook in Barcelona een tempel en een restaurant. Zo af en toe zie je aanhangers door het centrum wandelen. Of ze in deze drukke wereldstad hun absolute waarheid vinden waar ze naar op zoek zijn, ik vraag het me af. Zou deze viering een woensdagmiddagverering zijn? Ik realiseer me dat ik eigenlijk niets weet van Hare Krishna.

Het is een groepje van tien, vijftien mensen dat zich dansend – of in elk geval niet-wandelend – door de drukke winkelstraat beweegt. De mannen hebben geschoren hoofden, eentje draagt een klein microfoontje op zijn wang; ah, de zanger. Een paar anderen maken muziek met exotisch uitziende trommels en andere instrumenten. Een paar jonge blonde meisjes, duidelijk niet van hier, gaan met een zoete glimlach aan kop; ze dansen weinig geïnspireerd en niet bijzonder energiek hun weg door de geamuseerde toeristen.

Een van de volgelingen deelt bolletjes zo klein als knikkers uit. Op het eerste gezicht zien ze er klam uit. Is het brood? Is het zoet? Zijn het rijstbolletjes? Voor mij hoor ik een man resoluut tegen zijn vrouw zeggen: ‘Daar zit vergif in, ik zou het niet eten als ik jou was.’ Een paar meter verderop gooien ze hun bolletje in de prullenbak. Vele meters achter ‘de stoet’, gescheiden van de rest door toeristen en locals die denken dat het feestje in zijn geheel al voorbijgetrokken is, loopt een oudere dame in haar ruimzittende Hare Krishna-stoffen met een mand in haar armen. Ik kan niet zien wat erin zit. Wat ik wel zie is dat ze vermoeid is, en bezweet, en dat ze de groep nauwelijks kan bijhouden. Ik voel voor haar, eenzaam achter haar vrienden aan, die niet in de gaten hebben dat ze iemand van hun kudde verliezen. De absolute waarheid van dit moment is dat de ‘krishies’ zo opgaan in hun eigen individuele wereldje, dat ze geen oog meer hebben voor wie er naast hun staat. Ik heb me nooit verdiept in hun geloof, maar ik kan me niet voorstellen dat dat laatste in de geschriften staat.

Rolstoeldief

Hij heeft een raar loopje. Alsof één been misschien korter is dan het andere. Maar met zijn dunne benen loopt hij wel kwiek. Raar, maar kwiek. De vanwege zijn harde trekken onmiskenbaar Roemeense jongen duwt een rolstoel voort, een simpel model, dat je bij de apotheek kunt huren als je tijdelijk slecht ter been bent. Een schoenloos meisje, ook Roemeens, met een lange donkere paardenstaart en vieze witte sokken zit met een nietszeggende blik voor zich uit te staren, terwijl ze over het plein gerold wordt.

‘O nee hè, wat hebben ze nu weer verzonnen?’ hoor ik mezelf zeggen. En ik sla van schaamte meteen mijn hand voor mijn mond. Ik hou niet van generaliseren en vooroordelen. Een groot deel van mij vindt dat niet terecht. Als iemand in mijn bijzijn een ander in twijfel trekt, of een vooroordeel uitspreekt, spring ik altijd in de bres voor die ander. Zelfs als ik goede reden heb om te geloven dat het vooroordeel terecht is – heel vervelend. Maar een ander deel van mij weet heus wel dat sommige vooroordelen niet zomaar ontstaan.

De Roemenen hebben niet bepaald een goede naam in Barcelona. Het zijn dieven. Slimme, razendsnelle dieven met een heleboel verschillende jatscenario’s waarmee ze elke dag tientallen toeristen van een fijne vakantie beroven en soms ook locals op een nare manier weten te verrassen. Ik heb het zelf ook meegemaakt, ik stond erbij en keek ernaar, letterlijk. Het was een typische ‘insluiting’ bij het verlaten van de metro. Maar het slachtoffer, mijn tante, had het gauw genoeg in de gaten. Keihard begon ze te schreeuwen en binnen 5 seconden hingen ooms aan de metrodeuren zodat die niet konden sluiten en kwamen beveiligingsmensen zich bemoeien met het gebeuren. De dieven bleven gewoon staan, alsof ze van niks wisten. Ik rukte nog dapper mijn tantes fototoestel uit de broekzak van een van hen. Ook haar portemonnee zat ineens weer in haar tas. En het onbegrijpelijke en frustrerende is dat ze die jongens gewoon hebben laten lopen, op naar een volgend slachtoffer.

Want zo gaat het: ook al worden ze opgepakt, meestal in groepjes van drie, binnen de kortste keren lopen ze weer op vrije voeten.

Er bestaan vast Roemenen die niet stelen. Maar ik kan het niet meer opbrengen ze met het voordeel van de twijfel aan te kijken. Nee, ik zie er eentje lopen met een rolstoel en in plaats van me af te vragen wat er is gebeurd, denk ik: wat voor sluw plan hebben ze nu weer bedacht?