Weggeefwinkel

In de serie Afgeluisterd – Bij de bushalte Lammenschansweg, Leiden

– Hoi, met mij. Ik kom zo richting jou.

– Nee, die is net weg. Ik kom een minuut geleden bij de bushalte aan en een meisje zegt dat de 45 net een paar minuten weg is. Dus dat duurt nog even.

– Nee, ik was even bij de weggeefwinkel.

– De weggeefwinkel. Die zit hier achter bij Lammenschans.

– Ja joh, daar kun je alles naartoe brengen. Ik kon nooit speelgoed wegdoen hè, van de jongens. Ik kon er geen afstand van doen. Maar bij de weggeefwinkel komen mensen, die hebben echt niks. Dus ik ben de zolder opgegaan en heb speelgoed bij elkaar gezocht…

– Ze zijn nu 8 en 10…

– Ach joh, ze hebben al zo veel, en met dat speelgoed doen ze toch niets meer. En weggooien doe ik niet hoor. Dat zit niet in me, dat is echt zonde. Maar toen ik dat speelgoed wegbracht, kwam er een mevrouw met een kinderwagen en die was op zoek naar een ledikantje. Maar dat stond er niet. Dus ik zeg: heb je een auto? Nou, d’r man was er niet. Ik zeg: heb je geen familie? Toen heeft ze haar broer gebeld, die is gekomen en heeft ons oude ledikant ingeladen. Was nog in prima staat. Ik heb ook gelijk de Maxi-Cosi meegegeven. Die stond daar ook maar. Wilde ze de volgende dag terugkomen om een bos bloemen te brengen. Ik zeg: dat hoeft niet. Daar hoef ik niks voor.

– Nou ja, lief. Wij doen er toch niets meer mee en iemand anders kan het goed gebruiken. Kijk, hier in Nederland weten veel mensen niet wat armoede is. Maar ik ken dat nog uit mijn land. Je moet gewoon helpen, als je dat kunt. Ik vind dat normaal. Veel mensen denken daar niet eens aan.

– Tja, dat zit in je of niet. Maar eh, wacht nog even met koffie dan hè, want dat duurt dus nog een klein halfuurtje voor ik er ben.

 

Advertenties

Aan de oppervlakte

Op een vrijdagavond werd ze geboren. En op diezelfde vrijdagavond ging ze dood.

We mochten haar, tegen de belofte in, niet vasthouden. We mochten alleen maar kijken. En na wat in mijn herinnering nog geen minuut was, nam de zuster haar weer mee. De dag erna werd me gezegd dat we meteen maar weer voor een nieuw kindje moesten proberen. Ik moest rekening houden met mijn partner. Ik moest die of die bellen. Ik moest praten. Ik moest door. Ik moest dat, dit, zo veel dingen, ik mocht niet dit, maar wel dat.

Wat ik wilde, was mijn gevoel uiten, het uit mijn lijf schreeuwen, want daarbinnen maakte het veel te veel kapot. Maar met zo veel (be)oordeling om me heen wist ik niet hoe. Of bij wie. Ik besloot te schrijven. Het was zondagmiddag toen ik achter de computer ging zitten.

Wekenlang heb ik zitten tikken. Rechttoe, rechtaan. De inhoud van mijn hart op papier. Sindsdien schrijf ik op de datum van die vrijdagavond, elk jaar weer, altijd met pen op papier, soms ook op de computer. Woorden aan haar, tussen haar en mij. Voor het oog van niemand. Maar als die dag eenmaal voorbij is, is de inkt van mijn pen leeg. Staken de toetsen van mijn bord. Mijn hoofd wordt leeg. Ik denk heel weinig, voel nog minder. Leef aan de oppervlakte. Inspiratie zie ik niet, hoor ik niet, proef ik niet, ruik ik niet, voel ik niet.

Tot op een zekere dag, geen idee wanneer, het witte scherm weer lonkt en de eerste krabbels moeizaam de regels vullen. Heel geleidelijk gaan de gedachten dan weer vloeien en langzaamaan zal de spreekwoordelijke mist in mijn hoofd optrekken.

Lunchen aan zee

Lang geleden dat ik dusdanig licht in mijn hoofd de pen erbij pakte. Eerst een echte, en een stuk papier, daarna de digitale pen. De woorden komen lichtelijk beneveld mijn hoofd uit. De ‘backspace’-knop verdient zijn sporen.

Een keer per jaar, op deze datum welteverstaan, trakteer ik mezelf op een lunch aan zee met cocktail(s) erbij. Naar de prijs kijken doe ik met een half oog. Vandaag kijk ik niet op een paar euro meer of minder. Tot een paar jaar terug vloeiden de cocktails ook rijkelijk. Daarna de taxi in, naar huis en lekker naar bed voor een lange siësta. Misschien wel eentje die tot de volgende dag duurde. Vooral de avond niet beleven.

Nu kan dat niet meer. Nu speelt er een peuter al patí met z’n vriendjes en z’n juf, en die kleine verwacht zijn moeder uiterlijk om 17.00 uur in de deuropening. En liefst normaal. Niet dronken. Dus vandaag houd ik het bij één. Een stevige, dat wel. Na een kleine slok heb ik ‘m teruggestuurd: ‘Sorry, te zoet.’
‘Houdt u van wat stevigers?’
‘Vandaag wel.’

Ik kijk. Of liever gezegd, staar. Ik denk. Wimpel weg. Laat weer komen. Knipper een traantje weg. Schrijf in het langwerpige boekje met gold leaf blocking on leather kaft en magneetsluiting: een samenvatting van mijn gevoelsleven van het afgelopen jaar. Maar ook banale dingen komen aan bod. Waar ik zit. Wat ik eet en drink. Dat ik vanmorgen een lieveheersbeestje op straat zag zitten, met zeven stippen op zijn rug. Dat ik op een bankje op een plein ging zitten om daar gewoon even te zitten, zonder iets te doen, en dat daar een zoetroze bloem tussen de planken lag. Tuurlijk, vandaag wel.

Mijmerend staar ik over zee, terwijl ik met mijn rietje door het achtergebleven ijs roer en de wodka steeds harder voel zitten. Volgend jaar zit ik hier niet meer, bedenk ik me. Volgend jaar en het jaar daarop en wie weet hoeveel jaren nog, krijgt onze dag na acht jaar een andere invulling. Haarlem? Noordwijk aan Zee? Ouddorp? Seaside it must be. Raar idee hoor. Zij hier. Ik daar. Ik ga, zij blijft. Een paar jaar geleden nog had ik dat nooit voor mogelijk gehouden. Dan begon ik al te grienen als ik de stad voor een weekje Nederland verliet. Alsof ik een wezenlijk deel van mij achterliet, een deel dat ik nodig had, zonder kon ik niet. Dat ik dat nu wel kan, voelt goed en raar tegelijk.

Het klokje van mijn telefoon zegt dat het tijd is om te gaan. Het dagboek gaat dicht. Ik gebaar de ober om de rekening. Hij, het deel dat mij nú nodig heeft, en ik hem, is weer aan de beurt. Nog enigszins licht in mijn hoofd en met mijn hand om de letters van haar naam om mijn ketting, slenter ik langs het water richting bus. Vanavond toch weer vroeg naar bed.

Als de dag van gister

Lichtgeraakt. Soort van afwezig. Plotseling verdrietig. Gauw geïrriteerd. Mijn lijf herinnert. Reageert. Waarschuwt.

Weken terug. Een vriendin in verwachting. Haar ziekenhuis het mijne. Vergeten dia’s van beelden van lange gangen. Bebrilde dokters in witte jassen. Een drukkende, zomerse hitte die mijn lijf niet kon verwarmen.

De beelden komen en ik laat ze weer gaan. Zoek wat boeken bij elkaar voor mijn vriendin. Kijk in de kast en bedenk wat ze nodig kan hebben.

De telefoon trilt in de tas in de gang. Whatsapp. Het is niet goed. Het is niet meer.

Haar verdriet. Haar verlies. Hun verlies. Niet van mij. Zo voelt het ook niet. Maar het herinnert. Raakt een zenuw. Gaat naar binnen, daar waar de deur langzaam opengaat, zoals altijd in mei.

Acht jaar geleden was de lucht strakblauw. De lentebries welkom. M’n ouders samen. Een zaal ijskoud. Mijn partner verloren. Een zuster harteloos. Mijn dromen wreed. Haar huid vederzacht. Het leven te moeilijk.

De tijd kan niet anders dan geduldig verder tikken. Toch staat ze af en toe even stil. Kijk ik achterom. Huil. Lach. Droom. Fantaseer. Wat als? Tik. Tik. Tik. Draai je om. Nee, nog even. Loop door. Ja, maar… Rennen! Ik kom.