Wakker

Ik leg het boek weg en reik naar de lichtschakelaar. Ik bedenk me, draai me om en kijk nog even naar mijn schatje, die daar zo vredig slapend naast me ligt. Als hij slaapt, lijkt hij zo groot. Ik kan me niet voorstellen dat hij nog maar drie jaar geleden een klein baby’tje was. Wat zijn z’n wimpers toch lang. Ik kus zijn wangetje, doe het licht uit en ga lekker liggen, hopende dat ik nu eens in slaap kan vallen.

Wat een heerlijkheid te weten dat mijn grootste rijkdom zo dicht bij me ligt. Onwillekeurig gaan mijn gedachten van ons fijne samenzijn naar de door het zenuwgas getroffen families. Naar de foto’s van de dode peuters. De weerzin die ik daarbij voel, mijn maag die omdraait. Dood. En ik denk aan dood. Ooit ga ik dood. Ik hoop nog heel lang niet. Hij heeft me nodig. Maar de dood komt steeds dichterbij. Vroeger was ik derde op rij: eerst opa en oma, dan hun kinderen en dan hun kinderen (waaronder ik). Nu opa en oma er niet meer zijn, ben ik tweede op rij.

En ik denk aan het (ooit) overlijden van mijn ouders. Beelden op mijn netvlies die ik liever niet zie. Ik denk eraan dat ik dan in elk geval dichtbij ben, in Nederland. Ik denk aan mijn zoon, die dan geen opa en oma meer heeft. Ja, nog een stel grootouders dat niet weet dat hij bestaat. Zou hij er ooit naar op zoek gaan? Hoe zou dat zijn, om hen te ontmoeten? Scenario’s vliegen door mijn gedachten. Wij daarheen. Zij naar Nederland. Of misschien willen ze wel niet.

En ik denk aan zijn vader. Aan de keren dat ze elkaar gezien hebben. Aan hoe wij elkaar ooit ontmoet hebben. Aan hoe ik in die bar terecht was gekomen, werkend als serveerster. Hij kwam elke dag koffiedrinken met z’n collega’s en bleef dan hangen voor een praatje. Ik denk aan andere klanten en collega’s die ik daar heb leren kennen. Er was een vaste klant die gedichten schreef. Op een dag gaf hij me een map met daarin al zijn gedichten gekopieerd. Die ligt in de verhuisdoos met spullen die niet in de opslag gaan.

Hoeveel dozen zou ik nog moeten kopen? Een stuk of tien? Ik moet nog naar Ikea daarvoor. Morgen? Overmorgen? Of zal ik het nog even uitstellen? Misschien eerst maar even mijn werk afmaken deze week. Ik kan nu toch niet meer inpakken dan ik al gedaan heb.

Morgen komt E oppassen. Wat zal ik gaan doen? Filmpje? Of met een boek op Plaza Reial? Ik denk het laatste. In het filmhuis draaien geen films die ik nog wil zien. Die voor mij de moeite waard zijn heb ik al gezien. Now you see me. Heel vermakelijk. Oh ja, morgen even de titel van die andere opzoeken en dan kijken of ik een script en de soundtrack van Ennio Morricone kan vinden. Mooie dialogen zaten erin. Ja, nu weet ik het weer, The best offer.

Ik luister lang niet zo vaak muziek meer als ik zou willen. Misschien dat ik daar, eenmaal in Nederland, weer verandering in kan brengen. Wat staat me daar nog meer te wachten? Ik denk aan de crèche, en dat ik mijn zoon via Facebook vooraf ga voorstellen. Ik zie mezelf fietsen, door weer en wind. Getsie. Ik hoef geen 30 graden en ik ben gek op een goeie regenbui, maar niet dat constante. Toch zal ik eraan gaan moeten wennen.

Ook een goeie voor op de lijst: een regenpak kopen. Of dragen mensen tegenwoordig poncho’s? Op beelden van het Prinsengrachtconcert zag ik ook heel het publiek in poncho’s. Vroeger droeg ik zo’n ouderwets blauw regenpak. Jas en broek. Wat had ik daar een hekel aan. ’s Morgens een halfuur of drie kwartier fietsen naar school, door de regen en kou en dan ’s middags weer terug. En altijd tegenwind. En niet te vergeten: die chemische, verstikkende lucht op de brug naar Dordt, afhankelijk van de wind. Laatst rook ik diezelfde lucht in Barcelona. Ik was meteen weer terug op de brug.

Van de brug in Dordt weer terug naar Leiden – naar fietsen in Leiden en omgeving – naar parken ontdekken – misschien een zwembad? – naar het zwembad in Barcelona, wat jammer dat ik dat het afgelopen jaar niet gedaan heb met die vriendin en haar zoon – naar onze playdate vorige week met een andere vriendin en haar dochter en de lol die we hadden in hun zwembad – naar dat zij misschien ook Barcelona uit gaan – naar zal ik hen informeren over de inschrijftoestand van de geboorteakte in Den Haag? – naar de to-do-lijst van papieren en verzekeringen en gas, water en licht – naar de huuropzegging – naar de dag van verhuizing – naar hoe ik dat het beste kan regelen – naar de laatste avond – met wie, hoe, waar – naar het afscheid – terug naar mijn zoons verjaardag – hoe, waar…

Scenario’s, beelden, gedachten, overpeinzingen, herinneringen: mijn hoofd is vol en druk en het gaat van de hak op de tak. Slapen lukt niet meer. Behalve ’s morgens natuurlijk, als ik er eigenlijk uit wil.

Nooit meer

‘Laten we zo afrekenen. C wacht op me op het plein. Zullen we erheen lopen? Dan nemen we daar afscheid en zien we elkaar nooit meer terug.’

Boem. Dat staat heel dramatisch, zo zwart op wit, maar dramatisch kwam de onbehouwen mededeling niet haar mond uit. Ze lachte haar parelwitte tanden bloot. Ik stond even versteld en met mijn mond vol tanden van de figuurlijke tik op mijn wang die ze had uitgedeeld. Toch moest ik ook lachen.

‘Ja, luister, we kunnen elkaar wel beloven dat we berichtjes gaan sturen, maar dat doen we nu ook zelden. En wanneer komen wij elkaar nou tegen? Ik ben misschien wat bot, maar laten we daar gewoon eerlijk in zijn. We zien elkaar na vandaag waarschijnlijk nooit meer en als dat wel zo is, is dat alleen maar hartstikke leuk!’

Haar directheid stuit bij mij soms op weerstand, maar niet op dat moment. Ik moest haar lachend in alles wat ze zei gelijk geven. Ik had er alleen tot op dat moment niet bij stilgestaan dat onze afspraak ook een afscheid zou zijn. En om daar zo kort door de bocht mee geconfronteerd te worden, tja, dat zou al helemaal nooit in me opgekomen zijn.

Even later stonden we daar dan, midden op een groot plein, overwoekerd met strandgangers, fietsers, skaters en wandelaars.
‘Het allerbeste meid.’
‘Jij ook. Het ga je goed.’
‘Veel geluk.’
‘Jij ook. En ook veel succes.’
‘En we zien elkaar op Facebook.’ Hahaha, dat dan weer wel.

S (m’n peuter) rende haar nog achterna, voor een extra knuffel en tientallen handkussen.

Het is begonnen: de afscheidsronde. De kop is eraf. Een onverwachte, vrij botte, maar ook vooral vrolijke kop.

Goochelarij

Aan het begin van deze avond genoot ik voor het eerst sinds tijden van een bioscoopfilm, pareo over de benen, zoete popcorn bij de hand. Now you see me nam me mee naar een wereld van magie, verbluffende trucs en ook de logische verklaringen die (bijna) alle illusie verbraken. Vier goochelaars met elk een eigen specialiteit bespelen in het verhaal hun publiek met zowel de oudste trucs uit het boekje als nooit eerder vertoonde stunts. En ze belonen hen met geld, veel geld. Er zijn er die in magie geloven. Daartegenover staan de cynici, met soms een minachtende houding naar de magiërs, artiesten, kunstenmakers, illusionisten, of hoe je ze ook wilt noemen.

Na de film wachtte ik op een vriendin en terwijl ik de straat afspeurde naar haar, liep er een man voorbij die me aansprak: Do you speak English? Hij had twee zichtbare tanden in zijn mond, droeg een keurig geruite bloes, had grijzig haar. Zijn broek en schoenen kon ik niet zien en ik vond het onbeleefd om hem duidelijk zichtbaar op te nemen. Ik bleef hem aankijken, glimlachte en zei: Yes, I do.

Hij vroeg of hij misschien wat van mijn tijd mocht hebben en iets mocht vragen. Het was duidelijk iemand met weinig middelen – om het maar eens op een andere manier te formuleren. Maar of hij ook op straat slaapt, dat betwijfel ik. Hij stonk niet. Misschien was hij een beetje dronken, maar als dat al zo was, dan maar een klein beetje.

Of course you can. How can I help you? Hij bedankte me oprecht voor mijn glimlach, vriendelijkheid en manier van spreken. Sommige mensen bijten me ja of nee toe. Of lopen weg. Hij vertelde dat hij geen werk heeft, niet omdat hij niet wil, maar omdat hij niets kan vinden en niemand hem aan wil nemen. Wist ik misschien een manier om aan werk te komen? Had ik misschien meer kennis van zaken? Kon hij niet via mij in een bedrijf aan de slag? Helaas moest ik hem teleurstellen.

Ondertussen was mijn vriendin aan komen lopen en had ik haar gegroet. Toen de beste man haar gedag zei, keek ze chagrijnig onze kant uit. Ik luisterde naar de rest van zijn verhaal; ik had 10 minuten op haar staan wachten, zij kon ook best even wachten. Hij vroeg me naar mijn afkomst en reageerde met een verhaal over Duitsland – hij dacht misschien dat Dutch en Deutsch hetzelfde zijn. Mijn vriendin kwam geïrriteerd tussenbeide, of ik meeging of niet. Ik kom zo, zei ik.

De man begreep dat hij er een einde aan moest breien en vroeg of ik hem misschien wat geld wilde geven voor een kop koffie, hij had zelf 20 cent. Ik, die mezelf net getrakteerd had op een bioscoopfilmpje, wilde hem dat niet weigeren en gaf hem al het losgeld dat nog in mijn portemonnee zat. Kun je twee koppen koffie van bestellen, zei ik. Hij bedankte me hartelijk en uitgebreid en wenste me nog een fijne avond. Ik wenste hem hetzelfde, maar toen hij mijn vriendin vriendelijk groette, kreeg hij wederom een minachtende snauw terug. Zo eentje waarvan hij me eerder had gezegd dat hij die constant naar zijn hoofd kreeg. Hij verexcuseerde zich naar haar, zichtbaar geraakt door zulks vertoon voor de ogen van een getuige. Terwijl ik achteruit van hem wegliep, mijn vriendin achterna, keek hij me in de ogen en zei dat hij de kaarten zou vragen om me te zegenen. Ik ga ervoor zorgen dat het in Nederland cadeaus gaat regenen voor jou.

Een goochelaar, een kaartenlezer, een trucjesman. Die net als de hoofdrolspelers van de film twee soorten mensen ontmoet: zij die (willen) geloven en zij die neerzien op. Ik voelde een plaatsvervangende schaamte voor mijn vriendin die haar afkeer zo overduidelijk tentoonstelde. Je geeft een dronkaard toch geen geld? Een dronkaard was hij niet, maar misschien wel een vermomde goochelaar?