Duiven & cognac

Duiven zijn vliegende ratten, heb ik wel eens iemand horen zeggen. Ze bevolken de Amsterdamse Dam, het Barcelonese Plaça Catalunya en vele andere Europese hoofdsteden. Maar ook in een klein middeleeuws dorpje hebben ze nesten in de muren en poepen ze vanaf elektriciteits- en wasdraden die tussen de smalle straten hangen. Als ik ’s morgens vroeg wakker word en luister naar de verrukkelijke stilte, wordt die altijd een paar keer onderbroken door kort gefladder of een zacht ‘roekoe’. De beestjes kunnen er niks aan doen dat ze zo smerig zijn, maar dat weerhoudt bijna niemand ervan om ze te verafschuwen. Vriendin A bij wie ik logeer, vond elke ochtend een berg poep in een hoek naast de voordeur. Zo jammer tussen alle planten en bloemen. Haar stokoude overbuurvrouw zei haar ooit brood in water te soppen, daar een scheutje cognac erover te gieten en dat neer te leggen waar de duiven zaten. ‘Geef het twee dagen. Daarna komen ze niet meer terug.’ Onzin natuurlijk, dacht A. Maar waarom niet toch proberen? Dus ze kocht een fles cognac en deed wat het bejaarde dametje haar gezegd had.

De stoep is nu poepvrij en de duiven hebben zich niet meer laten zien. A heeft onlangs een ruïne gekocht van vier verdiepingen, die ze ‘de toren’ heeft gedoopt. Hij wordt bewoond door duiven en het is haast griezelig om er rond te kijken. Binnenkort, voordat de enorme renovatie begint, wordt er brood gekocht en de fles cognac weer tevoorschijn gehaald. Ik ben benieuwd.

Last van duiven? Doe je voordeel met de wijsheid van dit Italiaanse omaatje.

Advertenties

Vitorchiano

De klok op het dorpsplein slaat acht slagen en daarna nog twee op een lagere toonhoogte. Het is half negen ’s morgens. Ze loopt door de smalle straten en trekt haar sjaal nog eens extra aan. De ochtenden zijn fris, maar de blauwe lucht belooft dat het mooie dag wordt. Op de zijkanten van de straten ligt het vol duivenpoep. Sinds de nieuwe burgemeester het voor het zeggen heeft, wordt er nog maar weinig schoongemaakt. Als ze naar links kijkt, door een steegje tussen de oude, stenen huizen door, ziet ze een wolk nevel hangen over de rivier die daar ergens beneden stroomt. Als ze helemaal aan het einde van het steegje zou staan, zou ze hem kunnen horen, maar niet zien. Het groene gebladerte verbergt het water. Een politievrouw parkeert haar oude Fiat Panda – het politiemobiel – bij haar kantoor tegenover de kerk. Het is een van de weinige auto’s die door de extreem smalle straatjes past en de enige die er ongestraft mag parkeren. Er rijdt dan ook nauwelijks verkeer binnen de middeleeuwse muren. Het water in de fontein klatert dat het een genoegen is. Uit een straatje aan de overkant van het plein komt de kleine traktor gereden die ze vanmorgen in alle vroegte al hoorde rondkarren. Ook al is het een heerlijke nazomer, met overdag temperaturen van 26 graden, ’s nachts zakt het kwik naar de 11. De herfst laat niet lang meer op zich wachten en daarom zijn de dorpsbewoners hun houtvoorraad aan het aanvullen. Met grote hoeveelheden tegelijk rijdt de traktor de kortgehakte stammetjes naar de huizen.

Bij de laatste overgebleven dorpswinkel waar je eten kunt kopen – door de crisis zijn behalve een kledingzaak en de bar op het plein ook de delicatessenwinkel en de slager verdwenen – wordt het groente en fruit buiten in plastic kratten uitgestald. Aan de bar van het café vlak bij de toegangspoort staan een paar mensen hun espresso te drinken. De televisie staat aan.

Vlak buiten de poort staat de markt:  twee groente- en fruitkramen, een vis- en een kledingkraam. Een paar oude heren zitten op de bankjes op het midden van het plein. Een jonger meisje maakt met drukke handgebaren haar ongenoegen duidelijk tegenover een iets oudere man. Haar vader? Haar oudere minnaar? Een man die onder de overkapping een kop koffie drinkt, tuurt boven zijn krant uit richting de twee ruziemakers. Hij is nieuwsgierig.

Ze wandelt verder, over de weg, langs de dorpsschool, die een stuk met steentjes bedekte grond als speelplaats heeft, waar geen tekeningen, stickers of ander knutselwerk de ramen versieren en waar de kinderen behalve hun lunchpauze geen minuut vrij hebben.

Bij het postkantoor betaalt ze haar – totaal onterecht toegekende – parkeerboete: 28,70 euro plus 1,30 euro belasting maakt 30 euro. Op het roze papiertje dat ze achter haar ruitenwissers gevonden had, stond 41 euro. Maar omdat haar vriendin in het eeuwenoude dorp woonachtig is, kreeg ze 30 procent korting. Op de terugweg naar huis ziet ze dat de ijswinkel – een van de weinige in het hele land die écht zelf zijn ijs maakt van écht verse producten en die desondanks moet sluiten vanwege te weinig klandizie – nog niet open is. Nu al verheugt ze zich erop om vanmiddag weer een nieuwe smaak te proberen. Het is tenslotte een beetje vakantie.

Adiós al jueves

El coche se aleja. Ella se queda mirándolo, la mano en el aire.

Adiós.

Los hombres en el vehicular familiar no se han dado cuenta de que sus ojos se llenaban de lágrimas. Que se mordía el interior de sus labios y sus mejillas. Igual no saben lo que ella siente. El niño en sus brazos sí que lo ve. – Mamá triste, dice. Se pone la cara muy seria y empieza a acariciarla la frente y el cabello. – Ya está, le dice, muy en serio. – Ya está.

Para él el adiós no es siempre muy grato, pero por lo menos es un momento en que puede practicar y demostrar todas las maneras e idiomas en que sabe despedirse. Que son muchas. Y ‘chocarla’ también es favorito. Además saludar con la mano, dar besos reales o besos de mano. Eso distrae y le hace feliz. Todavía no sabe de las consecuencias de un adiós. No conoce el ‘nunca más’.

Ella los conocía justo en la época en que se quedó embarazada del niño: un grupo de gente, sobre todo hombres, alguna mujer, de veinte y pico hasta cincuenta y algo de edad. Cada jueves se reúnen y entre ellos hacen una revista. Han dejado que ella entraba y poco a poco se iban conociendo, los jueves y algún otro día. Ella aprendió de parálisis cerebral, de este mundo dentro del mundo, de gente en algunos aspectos diferente, pero igual al resto. Se ha reído con ellos. Hizo un trabajo con ellos.

Hoy se dió cuenta de cuánto la agradecen, la aprecian, la valoran, la echarán de menos. Ahora, que estaba aparcado el coche con que la llevaron a su casa, se daba cuenta de cuánto significaba para ella relacionarse con este grupo de gente. Al darle al ‘jefe’ el último abrazo, al decirle las últimas gracias, pasaron por su cabeza tantos recuerdos hechos en sólo tres años y medio y notó en su interior la pena que sentía por no poder haber hecho aún más, por no poder seguir trabajando y aprendiendo al mismo tiempo.

Fue una gran época, una parte importante de su vida. Y ahora que el coche gris con el ‘jefe’ y el ‘modelo’ se aleja por última vez, se siente triste por tener que decir adiós. Adiós a las tardes de los jueves.

Timing

Als binnen een paar dagen tijd je lamp kapot springt als je hem aandoet, én je een barst ontdekt in het marmer om de gootsteenbak, én de doucheslang uit het niets dusdanig begint te lekken dat de waterdruk zowat weg is, én de olijfolie op is terwijl je nog een dag of vier moet koken, én een opdringerige Argentijn geen ‘nee’ wil horen, én je bank definitief doorzakt… Dan weet je dat je verhuizing goed getimed is.

De Ramblas

Met mijn ene hand onder zijn T-shirt, op zijn blote rug, en mijn andere verstrengeld in de zijne die losjes over mijn schouder hing, liep ik gelukzalig en licht in mijn hoofd van de mojito’s over de Barcelonese Ramblas. Van beneden tot boven. Van de haven tot Plaza Catalunya. Ik kon me niet heugen wanneer ik dat voor het laatst gedaan had; de Ramblas, hoe emblematisch ook, wekt afkeer door de honderden of waarschijnlijk duizenden toeristen die er overheen krioelen. Maar op dit late uur konden we vrijelijk slenteren, ongestoord in onze weg. We praatten. Lachten. Communiceerden zwijgend. Herinnerden. Keken. Zagen. Mensen, locals en vreemdelingen. Oude gebouwen, nieuwe hotels. Mooi. Lelijk.

Pakistanen kwamen met een plastic tasje op ons af en boden ons cerveza aan. Slenterende toeristen bleven staan bij de ‘portrettekenaars’ en karikaturisten. Een enkeling nam plaats. Jonge meisjes die er in hun korte, lijfomsluitende jurkjes en uitgelopen make-up ouder uitzagen, tippelden giechelend op hun torenhoge hakken heen en weer, niet goed wetend waarheen. Een groep opgeschoten Italiaanse jongens, eind tieners/begin twintigers, discussieerden over waar the best party was. Op Plaza Reial was niks te doen, volgens een van de Zuid-Europese fashion victims. Af en toe reed er een politieauto stapvoets voorbij, gewoon midden over de stoep. Een soort van robot-aliën met rood knipperende lampjes op zijn pak liep op stelten een clubopening te promoten. Een zwaar opgemaakt meisje met lang blond haar vroeg me in met een Oost-Europees accent doorlopen Spaans of ik een foto wilde maken van haar vriendinnengroepje. Aziaten, Britten, Noord-Europeanen en Amerikanen deden zich te goed aan patatas bravas, calamares, liters sangria en enorme pullen bier op de terrassen waar je veel te veel geld neer moet tellen om er te kunnen eten en drinken. Een jonge knul met een stapels flyers in de hand vroeg ons of we een fantastische avond uit wilden beleven. Sjiek geklede dames staken de Ramblas over, van Raval naar Gótico, en lieten een zweem parfum achter zich.

Genietend nam ik alles in me op. Af en toe stopten we en omhelsde ik hem zo hard ik kon, nu het nog kon. Soms kuste ik hem, ondanks dat hij net een zelfgerolde sigaret gerookt had. Halverwege, ter hoogte van de beroemde versmarkt begonnen mijn voetzolen zeer te doen van de hakken aan mijn voeten, die een zomer lang alleen maar slippers hadden gedragen. Zelfs een spier in mijn rechterbil begon te protesteren. De klok tikte verder, de oppas wachtte en over een paar uurtjes zou de wekker gaan om te waarschuwen dat het een weekend-werkdag was.

Maar de Ramblas kon me niet lang genoeg zijn en ongemerkt werden mijn al rustige stappen steeds langzamer. Het was een wandeling om nooit te vergeten.