Fietsen in de kerk

Het zonlicht valt door de prachtige glas-in-loodramen. De motieven zijn abstract en sober, gepast binnen de christelijke gereformeerde kerk. In de nok is een bijbel geëtst in de kleurige vensters. Ik kijk in de rondte en omhoog. Ver op de achtergrond klinkt muziek. Het is lang geleden dat ik me zo geïnspireerd voelde. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op mijn binnenste. Maar dan wordt de ruimte gevuld door een schreeuwende mannenstem: ‘Kom op, VOLHOUDEN! Geef ALLES wat je kunt! Nog 10, 9, 8…!’ De woorden waren niet naar mij gericht, maar ik ga er toch harder van fietsen.

Vol goede moed en met een behoorlijk uitdagende doelstelling ben ik namelijk voor het eerst sinds jaren weer eens lid geworden van een sportschool. En geloof het of niet, die zit gevestigd in de voormalige Opstandingskerk van de stad. Voor een heuse spirituele ervaring. Ofzo.

Bij de intake een uurtje gele20131029_114913den, stond het huilen me nader dan het lachen. Zo’n meetlint om m’n lijf, een weegschaal die niet alleen gewicht, maar ook vetpercentage meet, de cijfers letterlijk zwart op wit: zo verschrikkelijk confronterend. Om die vervelende trillip te compenseren bleef ik maar grapjes maken tegen Patrick, de jonge, overenthousiaste medewerker die vlijtig al mijn maten aan het opnemen was – ‘Dit is nou niet echt het moment om mijn buik in te houden, hè? Hihihi.’ Lieve hemel, wat gênant.

Inmiddels ben ik wel goed bezig. Ik heb een buikspierkwartier gedaan, een of andere snelle miniworkout van tien oefeningen van 1 minuut per stuk en twee rondes van de trots van de sportschool: fit & fun. Het is een circuit van ik weet niet hoeveel oefeningen, kracht en cardio, elk 35 seconden lang en je moet álles geven, zo hard en zwaar mogelijk zodat je na een kwartier helemaal afgemat druipend van het zweet op de grond ligt. Fit & fun. Mijn god.

Nu een cooling down op de fiets, de ochtend evaluerend in mijn hoofd. Weten dat ik nooit meer terug wil naar dit punt. Vanaf hier moet het beter. En ik denk het onvermijdelijke: ik eet nooit meer gevulde speculaas!* Ik ben best gemotiveerd en wil hard werken, maar als Patrick langskomt en vraagt of ik meedoe met het volgende buikspierkwartier en de aaneensluitende miniworkout, bedank ik vriendelijk. Het is mooi geweest. Met een lege waterfles loop ik met mijn vermoeide lijf de trap af richting de kleedkamer. Het begin is gemaakt. Nu is het een kwestie van geloven in mijzelf en volhouden.

* In de categorie: ‘Ik drink nooit meer!’ ‘Dit was mijn laatste sigaret!’

 

Advertenties

Gevulde speculaas

Gisteren stond ik in de rij voor de kassa met een nieuwe agenda voor 2014 in mijn hand. De kassajuffrouw haalde producten langs een scanner en vroeg de dame die haar portemonnee al open had of ze misschien gevulde speculaas wilde. Flinke plakken lagen in plastic verpakt in een mandje naast haar. Even twijfelde de dame, toen zei ze resoluut van niet. Wat een gemene actie, dacht ik. Gemeen en slim tegelijk, gevulde speculaas bij de kassa neerleggen en lichte dwang gebruiken door het ook nog eens aanbieden. De volgende klant was aan de beurt. ‘Wilt u misschien een pakje gevulde speculaas erbij? Het is in de aanbieding, voor maar 75 cent.’ Ze wilde er wel een. Toen ze wegliep en de meneer voor mij zijn spullen aan de kassajuffrouw gaf, zei hij zelf al: ‘Doet u mij maar zo’n pakje gevulde speculaas erbij.’ De kassajuffrouw glimlachte. Ze was vast met haarzelf ingenomen. De meneer stak vol voorpret – dat dacht ik af te lezen aan zijn gezicht – zijn boodschappen in zijn tas, en even begon ik ook te twijfelen. Tot nu toe had ik de verleiding al weken weerstaan. Dat hield ik nog wel vol, besloot ik. Maar ik stapte naar voren, keek richting het mandje en voor ik het wist was het mijn mond uit, voor ze ook maar iets had kunnen vragen: ‘Ik wil ook wel zo’n pakje, alstublieft.’

Tja. Daar stond ik dan in de keuken met een kop dampende thee en dat pakje speculaas met banketspijs ongeopend voor me. Vast een stukje nemen? Of nog even wachten? Want ik wist: het gaat meteen op. Elke dag een stukje, dat gaat niet, dat is niet reëel, daar is het spul niet voor gemaakt. En terwijl ik langzaam vervuld raakte van schuldgevoel, hoorde ik het geluid van het scheurende plastic. Op weg naar de bank met mijn thee en koek – een stuk op een schoteltje én een stuk in mijn mond – zag ik in de hoek van de hal mijn blauw-gele sporttas staan. Ooit had mijn toenmalige vriend die op een rommelmarkt op de kop getikt voor twee kwartjes, of een gulden misschien. Ik heb hem jaren met plezier gebruikt, was altijd loyaal, kocht nooit een andere. Maar inmiddels was de tas al zo’n zes jaar buiten gebruik. Morgen echter zou ik hem voor het eerst weer meenemen naar buiten, de fiets op, en opbergen in een kluisje in de sportschool. Om dat te vieren, mocht ik mezelf nu best even verwennen. En met dat in gedachten at ik mijn schuldgevoel weg.

Wennen

Dingen waar ik aan moet wennen. Zomaar een paar.

De afwezigheid van Spaans en Catalaans geklets om me heen.

De koppeling van gemeentelijke en overheidsinstanties, waardoor je niet al je papieren naar elke bureaucratische afspraak hoeft mee te nemen. Overal weten ze alles van je. Ik vind dat niet zo erg. Puur gemak!

De glibberige smurrie van hopen bladeren die na een winderige of regelrecht stormachtige dag  de straat bedekken en na een flinke regenbui verworden tot, nou ja, dat dus: glibberige smurrie.

Fietsen. En dus zadelpijn.

De vriendelijkheid van supermarkt- en winkelpersoneel.

Dat een glas simpele huiswijn € 3,50 kost en dat een tomatensoepje tegenwoordig Italiaanse pomodoricrème wordt genoemd.

De afstandelijke vriendelijkheid van de peuterjuf die simpelweg ‘Hallo S’ zegt bij binnenkomst, in plaats van alle kinderen met een dikke knuffel en een persoonlijke ‘Hoe is het met je’ of ‘Wat heb je een mooi T-shirt aan’ of ‘Heb je lekker geslapen’ verwelkomt. S loopt steeds weer met open armen naar haar toe, maar wordt teleurgesteld: ze ziet het niet eens.

De knusheid van de rustige woensdagmarkt.

Mensen die je een hand geven, in plaats van twee zoenen. Mensen die voor het ‘andere uiterste’ kiezen en maar liefst drie zoenen op je wangen planten. Vriendinnen begroeten elkaar met een enthousiast maar op geen enkele manier lijfelijk hallo, of (weer) die drie zoenen, in plaats van een intieme knuffel + enkele smakkerd.

De afwezigheid van een stralende, blauwe lucht – en bijbehorende zon.

Moeten betalen om naar een toilet te mogen.

Dat alle kinderen hier elke dag limonade voorgeschoteld krijgen.

De voor mij nieuwe dagelijks-voor-ik-de-deur-uit-ga-te-checken website buienradar.

De rust op straat.

Verhuisdag

Het is 8.22 uur. Ik zit op de rand van het bed, mijn zoontje slaapt nog. Ik heb slecht geslapen, zoals de hele week en net onder de douche het verhuisscenario van vandaag een paar keer doordacht.

Vorige week maandag stond de verhuiswagen in Barcelona voor de deur. Tien jaar, tien kuub. Meubels bleven ‘thuis’. We hebben flink gesjouwd, vriend A, oppas R en ik. Bij het dichtgooien van de laadklep kwamen de tranen. Twee nachten in een hotelbed, ‘dramatische’ afscheidsscènes, een lange treinreis terug en toen mocht ik de verhuiswagen lossen. Alles in de opslag. En met mijn reiskoffertje naast ons logeerbed en de onwerkelijkheid van grijze luchten en een koud buiten, was mijn hart ervan overtuigd dat we deze week weer richting Barcelona zouden gaan.

Gisteravond hebben we echter meer dan de helft van alle dozen en spullen weer overgeladen in een verhuisbus. Die Fiat staat nu geduldig voor de deur te wachten tot ik hem naar ons eindadres rijd. Daar laden we over een uurtje of drie alles weer uit. Drie trappen op en een andere logeerkamer in, die ons zo gul en warm voor onbepaalde tijd is beloofd.

Later op de dag zet ik mijn bed in elkaar en een commodekast. Pak ik de koffers uit en leg ik onze kleren in de inbouwkast waar iemand heel attent een aantal planken in heeft gemaakt. Zet ik onze tandenborstels bij de wasbak. Probeer ik een plekje te vinden voor mijn werkstoel. Sla ik mijn handen voor de mond bij het zien van al het speelgoed dat een plekje moet krijgen. Straks is het einde reis. Straks zijn we ‘thuis’.

Se acabó

Con tres sellos de tinta azul y una mirada compadecente de la mujer que los ha puesto, se acabó. Es oficial: en Barcelona y el resto del país ya no tengo permiso de trabajar, o abrir una cuenta bancaria, o comprar un piso, o hacer cualquier otra cosa que no sea de turistas.

En mi copia del formulario veo que está marcado el ‘Baja por cese’. Detrás de ‘especificar la causa’ pone: regresa a país natal.

Fuera saco el paraguas. Llueve, lo cual es muy apropiado en este momento. Leo las palabras en el letrero del edificio: oficina de extranjeros. Pues eso: que soy extranjera. Ahora que he cedido el NIE, lo soy más que nunca. Es sólo un papel verde, ya lo sé, pero después de diez años en esta ciudad me siento, por primera vez, extremadamente fuera de lugar.

Creerás que soy tonta, pero tanto como llueve en la calle, llueve dentro de mi.