Sol solet

Sol solet, vinem a veure vinem a veure, sol solet vinem a veure que tinc fred…’

Twee vrouwen zingen lachend op de fiets. De een houdt achter haar rug langs de hand van haar dochtertje vast. Ze zijn in de stad geweest.

Ze slenterden over de markt, dronken cappuccino in de zon op een terras. Ze slenterden wat meer, kochten een biologisch frietje en zochten een plekje op een trapje aan de gracht. Daar, onder boom waarvan de bladeren kleine druppeltjes hars verloren, aten ze hun lunch, kletsten wat, keken naar de toeristenboot die voorbijkwam, waren onder de indruk van een flinke meeuw die een op de grond gevallen patatje kwam halen en luisterden naar het klokkenspel van het oude gemeentehuis. Ze kochten verse vis, proefden van Hollandse aardbeien en genoten van die paar uurtjes samen die beiden ontspanning bracht.

Op de fiets naar huis genieten ze van het prachtige, overal ontluikende groen en praten over de Nederlandse lente. ‘Heb je de Cobetstraat gezien? De ene kant zo majestueus, met hoge bomen die de straat beschermen met hun overhangende groene dek. En aan de andere kant staan alle bomen in de felroze bloesem.’

Het kleine meisje achter op de fiets valt bijna in slaap, moe van de wandeling, het eten en het spelen op het plein. De vrouw op de andere fiets stelt voor een liedje te zingen om haar nog even wakker te houden. De moeder zet in: ‘Misschien kent Esther dit liedje ook nog wel. Sol…’

De andere vrouw zet meteen in: ‘…solet! Vinem a veure vinem a veure...’ Het liedje vraagt de zon om tevoorschijn te komen, omdat we het koud zouden hebben. Maar de zon is er. En het ís warm, zeker vanbinnen. Ze heeft nooit echt Catalaans leren spreken in de tien jaar dat ze in Barcelona woonde. Maar sommige dingen vergeet je blijkbaar nooit.