Pannenkoek

Ze zit alleen aan een tafeltje, met haar rug richting de muur. Kort grijs haar, netjes gekapt. Een mooie zwart-witte blouse op een donkere broek. Een opvallende, grote, rode steen aan een ketting om haar hals.

Rechts van haar twee tafels met gezinnen met jonge kinderen en twee mannen die met bier op de bijpraattoer zijn, links van haar een groepje van drie vriendinnen. Vanuit haar ooghoek kijkt ze terloops naar een jongetje dat met zijn tong uit zijn mond ingespannen binnen de lijntjes probeert te kleuren. Zijn moeder observeert en lacht. Het pannenkoekhuis zit vol gezelligheid – afgezien van vijf Engelstalige meiden die alle vijf bijna onafgebroken op hun smartphone koekeloeren.

Ze leest geen boek, maakt geen sudoku, speelt geen spelletje op haar mobiel, kijkt niet om zich heen. Ze staart wat voor zich uit, tot haar eten wordt geserveerd.

Haar pannenkoek is een feestje. Groot, heel groot, met prachtig rode vruchten en een enorme toef slagroom ernaast. In alle rust giet ze er stroop over, snijdt ze stukken af, eet ze een rode vrucht, lepelt ze het schaaltje slagroom leeg.

Wat maakt dat iemand zich in zijn (haar) eentje op zo’n feestelijke pannenkoek trakteert? Zou ze wat te vieren hebben gehad? Was ze jarig? Of wilde ze gewoon een regenachtige maandag opfleuren, net zoals wij?

Advertenties

Maakt niet uit

*mopperdemopperdemopper*

Dan zucht ik eens diep en bied mijn excuses aan terwijl ik zijn avondluier dichtplak.
– Sorry lieverd, dat ik zo chagrijnig loop te doen.
– Dat maakt niet uit, mama. Ik wil je knuffelen.
Zijn vergoelijkende woorden treffen me diep. Zijn ogen kijken me vol oprechte vriendelijkheid aan. Ontroerd buig ik me over hem heen en knuffel hem. Zijn armpjes slaat hij stevig om me heen. En hij zegt:
– Ik vind je lief.
Ik maak me half los uit onze omhelzing en kijk eens goed naar het bijzondere, gevoelige wezentje dat onder me ligt. Die stralende ogen. Die onvoorwaardelijke liefde.
– Ik vind jou ook lief.
– Ik vind jou ECHT zó lief.
Hij plant een dikke smakkerd op mijn mond. Ik plant er nog wel vijf terug. Dan worstelt hij zich los en begint hij het bed als een trampoline te behandelen.
– Mag ik nog even springen?