Liesbeth

Gek genoeg is de kleur van haar pumps het eerste wat me opvalt als ze naast me komt zitten. Matgoud, met een glittertje erin verwerkt. De schoenen zijn te groot voor haar kleine voeten. Ze slaat haar benen over elkaar en wiebelt met haar bovenste voet op en neer. Nerveus, net als de dynamiek van het drukke, onoverzichtelijke kruispunt waaraan de wankele tafeltjes van het terras staan. We zitten op een donkergrijze, hardhouten bank die tegen het raam aan is gezet. Vol in de zon en haaks op de wind. Ik heb niet gezien dat ze er eentje opstak, maar er trekt plotseling een heuse rookwalm van haar sigaar mijn kant op, recht m’n neus in. Snel draai ik mijn gezicht weg en ik stop even met typen.

Als de rook is weggetrokken, kijk ik naar opzij, naar haar vermoedelijk lange tijd ongekamde peper-en-zoutharen. Het intens bleke gelaat lijkt te gerimpeld en te vermoeid voor haar leeftijd. Haar blauwe ogen liggen in gelig oogwit diep in hun kassen. Met haar kin richting haar borst kijkt ze spiedend om zich heen, wantrouwend haast. Af en toe slurpt ze van het bakje koffie in een papieren bekertje dat ze net voor haar neer hebben gezet. Ze heeft niet in de gaten dat ik last heb van de sigarenrook en steeds weer mijn hoofd omdraai.

Nee, dat is niet waar, het interesseert haar niets, denk ik.

Aan de overkant van de straat ontwaart ze twee mannen die ze kent en ze begint te schreeuwen. Een raspend ‘Hee! Hee!’ gaat de strijd aan met het lawaai van de geparkeerde vrachtwagen waarvan de motor nog draait, maar haar stem wint het net niet. De mannen zijn beiden, net als zij trouwens, graatmager. Hun wijde kleding lijkt hun ongezond lage gewicht alleen maar te benadrukken. De ene heeft het haar lang, in een staart, de ander is kaal, maar compenseert dat met een enorme baard. Hun geharde gelaat ziet bleek. Ze staan stil op de hoek, overleggen druk met elkaar. Ze schreeuwt zo hard ze kan, vastberaden contact te maken, maar ze horen haar niet. ‘Tering, stelletje achterlijke doven,’ klaagt ze, niet tegen iemand in het bijzonder. Ik voel mijn wangen warm worden als ik besef dat ik blij ben om te zien dat ze doorlopen en ze niet met z’n allen hier bij ‘mijn’ tafeltje komen staan herrie schoppen.

Uit een zwart-wit gestreept linnen boodschappentasje dat naast haar op de bank ligt, haalt de vrouw nu een pak stroopwafels tevoorschijn, maar nadat ze het wat bevoeld heeft en aan de clipsluiting heeft gefriemeld, besluit ze dat ze er toch geen trek in heeft. Haar dunne witte sjaal, rood en blauw gestreept, hangt nonchalant gedrapeerd om haar bruine bloes, of is het een jasje? Haar zwarte broek is niet on-netjes, omsluit zelfs haar veel, veel te dunne benen. Een kindermodel wellicht, gaat door mijn hoofd. Ik bedenk me dat als ik haar voorbij was gelopen, ze me misschien niet eens op was gevallen, misschien hooguit en alleen omdat ze sigaar rookt. Maar hoe langer ik naar haar broek kijk, hoe meer vlekken ik ontwaar. En laten we wel wezen: ik wandel niet voorbij, maar ik zit naast haar, waar de penetrante geur van urine haar vergezelt. Ik dacht eigenlijk dat ze na die ene koffie wel weg zou gaan, ik hoopte het, maar ze blijft zitten en rolt shag, de een na de ander. De smerige rook waait precies over me heen en irriteert me mateloos, hoewel hij tegelijkertijd de bepaald onfrisse lucht die om haar heen hangt een beetje maskeert.

Ze rommelt wat in haar andere tas, een rood boodschappentasje van hetzelfde model, met witte stippen en hoest ondertussen vervaarlijk. Ze legt haar zonnebril met breed montuur met panterprint voor haar op tafel, evenals een inhalator en een pakje vloeitjes. Ze lacht om een paar kleine kinderen die het hun moeder op straat heel ingewikkeld maken. Ze schatert haar tanden bloot, onverwacht wit en intact. De vrouw intrigeert me. Nou ja, intrigeren is misschien too much. Maar ik ben benieuwd naar haar. Wie zou ze zijn? Waar zou ze wonen? Heeft ze een bed? Leven haar ouders nog? Weet haar familie hoe ze erbij loopt? Hoe heet ze?

Mieke. Ik noem haar Mieke.

Mieke krijgt het warm, denk ik, want ze trekt rustig haar sjaal van haar hals weg, legt die naast haar op de bank en trekt dan haar jasje uit. Eronder komt een wit gebreid truitje tevoorschijn, veel te kort. Ze zit daar demonstratief, provocerend haast, met een geheel ontblote buik – en het kaartje van de winkel hangt nog aan een kleine veiligheidsspeld op haar rug. Het is niks voor mij om van dat kaartje niets te zeggen en ik sta op het punt om mijn koptelefoon waar muziek uit komt van m’n oren te halen, als ik weer bijna onwel word van de doordringende pislucht. Ik besluit om tegen al mijn principes in niets te zeggen van dat kaartje en het gewoon te laten voor wat het is. Een voorbijgangster ziet het even later ook en zij loopt naar Mieke toe om haar te waarschuwen. ‘Dat maakt helemaal niets uit,’ krijgt het meisje te horen. En Mieke trekt de achterkant van haar trui omhoog, zodat nu ook haar rug bloot is.

Ze rommelt weer wat in haar tas en haalt er een blikje Heineken uit. Ze lurkt er wat aan, een ander woord zou niet van toepassing zijn, en zet het op tafel waar het omvalt. Het bier spettert op mijn blote benen. Ze pakt het blikje vast en zet het naast haar op de bank, waar het ook weer omvalt, gelukkig niet tussen ons in. De eigenaar van de koffiezaak komt naar buiten en meldt dat ze op zijn terras geen meegebracht bier kan drinken. Daar is zij het niet mee eens en dat laat ze hem en alle andere klanten weten. Zichtbaar geen zin in een discussie besluit hij zich verder afzijdig te houden. Ik hoor hem verontschuldigend tegen iemand zeggen: ‘Ze heeft wel koffie besteld.’

Ik type verder. Mieke brabbelt onverstaanbaar voor zich uit, vloekt soms hard, rookt wat, drinkt wat en rommelt in haar tas. Ze hoest, friemelt aan haar trui, kijkt rond en laat soms haar hoofd achterover vallen, met haar mond open. Het is dan net alsof ze in slaap valt, maar het duurt maar een paar seconden voor haar ogen openen en ze haar hoofd weer rechtop zet.

Bij het zoveelste shagje waarvan de rook rechtstreeks in mijn gezicht waait, besluit ik om toch ergens anders verder te werken. Maar niet voor ik mijn nieuwsgierigheid heb getemd. Dus voor ik wegga, kijk ik Mieke aan: ‘Mag ik vragen hoe je heet?’ Ze beantwoordt mijn blik met een paar felle kijkers waarvan de helderheid me verbaast. Ze lacht uitdagend.
‘Liesbeth,’ zegt ze.
‘Mooie naam.’
‘Dank je, dat vind ik ook.’

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s