Patricks dam

Haar mond ging open en weer dicht. Ze kreeg het haast niet over haar lippen, maar ze moest het zeggen om het waar te maken. Het was namelijk ongelooflijk – maar dan ook echt in de letterlijke betekenis van het woord. Ongelooflijk. Niet te geloven. Ze hadden het zien aankomen, maar toch niet verwacht. Weten en geloven, aan weerszijden van een denkbeeldige wip. Ze haalde diep adem, bereidde zich voor en angst borrelde in haar op. Daar waren ze, vier woorden: ‘Mijn broer is dood.’

Het was voor het eerst dat ze dit hardop uitsprak. Ze was alleen, stond met haar geslipperde voeten in een bocht van het ijskoude, snelstromende water van een Franse rivier. De felle zon knipperde door het gebladerte van de vele bomen langs de oever. Het lukte hem niet haar te verwarmen; ze stond met haar armen om haar lichaam geslagen.

‘Heb je broers of zussen? Ik heb twee broers. Een is overleden.’ Ze trok een grimas, eentje die cynisme en verdriet verbeeldde. Haar woorden kwamen, op de tamme eend die haar zachtjes kwakend gezelschap hield na, nergens terecht. Niemand luisterde, behalve zijzelf. Zij hoorde de woorden wel, voelde en besefte hun waarheid – en met alle kracht wierp ze een grijze kei naar het midden van de stroom. De zoveelste; ze was al een paar dagen stenen aan het gooien op die plek.

‘Mijn broers? Nou ja, de oudste werd ziek en ging dood.’ Haar handen maakten een hulpeloos gebaar en ze kon zichzelf wel voor d’r kop slaan, zo belachelijk vond ze het klinken. Ze had het nooit geoefend, zo’n gesprek, nooit erover nagedacht dat ze die woorden ooit zou uitspreken, terwijl ze allang wist dat die dag zou komen. En nu was-ie er dan ook. Keihard. Hij was dood. Echt. Zo onwerkelijk. Maar zelfs hier ver weg kwam het veel te dichtbij. Spieren verhardden. Haar kaak trilde. De een na de andere steen belandde met een plons in het water, waar ze samen een dam vormden en zo de koers van het water veranderden.

Ik heb twee broers, dacht ze. Eén is dood. Ik heb twee kinderen. Eén is dood.
Ze keek omhoog, naar de blauwe lucht boven haar, stak beide middelvingers op en schreeuwde: ‘Ga je lekker daarboven? Is dit nou wat je wil?’ Ach, fuck dat zelfmedelijden. Woest gooide ze een enorme kei de stroming in en liet daarna haar armen slap langs haar lijf hangen, zakte tot op haar hurken door haar benen. Kip, de eend, stond vlak naast haar, niet onder de indruk van haar agressieve uitingen. Ze doopte haar vingertoppen in het koude water, sloot haar ogen en luisterde naar de muziek in haar oren.

Send a wish upon a star, do the work and you’ll go far
Send a wish upon a star, make a map and there you are
Send a hope upon a wave, a dying wish before the grave
Send a hope upon a wave, for all the souls you failed to save

Ze keek naar het water, zag hoe de stroming veranderd was in de afgelopen dagen. Hoe hij in de binnenbocht nog altijd voortraasde, maar minder ruimte had gekregen. Hoe het water achter haar dam, zíjn dam, rustig lag te wachten op een windvlaag of een doorbraak om verder te mogen. Vlak om de dam heen trok de rivier aan haar enkels, werden zelfs grote keien verplaatst. Ze zag hoe het water in de buitenbocht, dat daar stil had gelegen, nu steeds sneller begon te stromen en zelfs voorzichtig een link legde met een poel die ontstaan was bij het zakken van het water dat naar de Loire reisde. Kip vond de poel veiliger om in te dobberen dan die onrustige rivier.

Die dam, dat was haar broer. Haar broer die weg was geweest, terugkwam om in te breken in het leven, wilde knuffelen zolang het nog kon. Hij maakte dat alles anders ging stromen, dat alles anders werd. En zij watertrappelde in dat kabbelende watertje achter de dam, samen met de anderen. Om hen heen raasde het leven door, maar nu op een andere manier, via een andere weg. Ze wilde niet mee met de stroom, wilde op haar rug drijven achter de dam.

Als ze volgend jaar terug zou komen, zou-ie er dan nog liggen? Zou hij haar nog boos maken, zou hij nog ontroeren? Zou de stroming weer verlegd zijn? Wat was de rivier van plan en wat zou het leven in petto hebben?

Mijn broer leeft niet meer. Maar een stukje van hem leeft voor mij voort in een Franse rivier.