Nooit meer onafhankelijk

De kop thee verwarmt mijn handen. Niet dat het nodig is, want het is bloedheet in de gezamenlijke huiskamer. ‘Nou mam, ik ga er zo vandoor.’ Ze kijkt me aan en ik tuur diep in haar ogen. Tien jaar terug zou haar blik de mijne hebben doorboord, nu reikt-ie niet zo ver. Toch zie ik er iets in veranderen; hij wordt vastberaden, ze neemt zich iets voor. Ze moet en zal me iets vertellen. Haar bovenlijf beweegt naar voren en opzij en met de duim, wijs- en middelvinger van haar rechterhand op elkaar, wijzend in het luchtledige zegt ze: ‘Esther, ik wil toch snel met je praten.’

Ik wist dat-ie kwam, net zoals ik weet hoe dit gesprek nu verder zal gaan. Onmerkbaar voor haar adem ik langdurig uit. ‘We moeten het eens hebben over de financiën. Ik heb helemaal niks, ik kan niks.’ Haar bovenlichaam zakt ineen, laat overduidelijk de onmacht die ze voelt zien. Ik zucht nog eens diep, onhoorbaar. Het is een gesprek dat ik al ontelbare keren heb gevoerd met haar en waar ik nooit zin in heb. Ik kan de klok erop gelijkzetten; het ontstaat altijd op het moment dat ik aankondig dat ik over een paar minuten ga, of als ik met mijn jas al aan op de drempel sta, of als ik aan de telefoon vertel dat ik zo ga ophangen. Het is onderdeel geworden van een nieuwe routine, of liever gezegd een nieuw onderdeel van de levenslange routine van tijdelijk afscheid nemen. Voorheen was het ‘Doe voorzichtig’, ‘Niet te hard rijden’ of een haast verongelijkt ‘Nou, veel plezier dan maar’. Nu is het ‘We moeten praten over mijn geld’. En het loopt nooit goed af.

Toen dit een paar jaar geleden begon, nadat ze geen nieuw bankpasje meer kreeg – omdat ze geen weet meer had van geldbedragen, het pasje om de haverklap kwijtraakte en de pincode overal, maar dan ook overal opschreef – ging ik nog weleens de discussie aan. Onwetendheid was dat. Onwetend dat juist ik nooit degene zou kunnen zijn die haar het besef ging bijbrengen dat het zo beter, veiliger was. Ik had toen nog niet in de gaten dat ze me nooit meer zou vertrouwen en dat ik voor altijd degene zou zijn die haar niet alleen haar auto, maar ook haar geld had afgepakt. Ik kon niet weten dat ze nooit zou beseffen dat haar geld, haar geld zou blijven. Ik was onwetend dat ze nooit zou onthouden dat er geld in een kluis ligt waarmee ze kleine boodschappen kan doen. Het is haar al zo vaak verteld, maar ze slaat het niet op. Zoals ze ook niet opslagen heeft dat ze al sinds jaar en dag überhaupt zelf geen boodschappen meer doet. Dat eerst een buurman zich daarover ontfermde, en nu de meiden van de afdeling. Dat simpele ding van alledag, datgene wat ze jaar in jaar uit bijna dagelijks deed, het zit nu eenmaal in haar hoofd geprent dat ze daar geld voor moet hebben.

Maar goed, ‘We moeten praten over de financiën’. Dan zegt ze vaak iets over dat we samen de papieren moeten bekijken, laatst nam ze het woord ‘schulden’ in de mond. Die heeft ze niet, volgens mij ook nooit gehad. Ik probeer haar vervolgens gerust te stellen door te zeggen dat alles automatisch wordt betaald, dat ik overal voor zorg, dat alles is geregeld. Ze heeft het over afspraken maken en dan refereer ik naar de notaris, waar ze zelf ooit naartoe is geweest om die afspraken zwart op wit vast te leggen. Vaak kijkt ze me als antwoord aan met een blik die verraadt dat ze denkt dat ik lieg.

Ze noemt dat ze geen cent heeft, dat ze niks kan kopen. Voorheen vroeg ik dan wat ze wilde kopen, zei dat we dat samen konden doen, noemde ik het feit dat ze toch nooit alleen meer uit winkelen ging en er altijd wel iemand was die haar gezelschap hield en wel even wat voor kon schieten. Ik probeerde uit te leggen dat je op de afdeling niet veel geld mág hebben, uit zelfbescherming.

Maar het heeft geen zin, want door die rotziekte snapt ze het niet. Ze vraagt, ze eist van me dat ik iets doe, een oplossing zoek, dat ik haar geld geef, veel geld. Ik zeg dat ik dat niet kan doen en dat maakt haar begrijpelijkerwijs verdrietig en boos. Ik kan me er slechts een voorstelling van maken van hoe dat moet voelen, als je ergens vanbinnen toch nog soms weet dat je niet meer onafhankelijk en zelfstandig bent. Dat je je herinnert hoe het is om geld uit te geven, je eigen zuurverdiende geld, maar dat niet meer kunt. O, de onmacht en frustratie.

Dus nu luister ik. En als ze zegt dat het haar zo boos en verdrietig maakt, knik ik rustig met mijn hoofd en zeg ik zachtjes dat ik dat wel snap. Dan draait ze haar hoofd weg en kijkt ze me niet meer aan. Ze vloekt ongegeneerd en hardop, iets wat ze vroeger nooit deed, en beklaagt zich. Soms scheldt ze me vanuit haar tenen uit voor trut, een heel enkele keer voor kutwijf. Want ik heb het gedaan.

We staan op, zij loopt vast richting de deur. Ik schiet de verzorgende aan en waarschuw dat ik mijn moeder aangedaan achterlaat, maar dat ik echt moet gaan, omdat ik mijn zoontje zo uit school moet halen. Een meewarige blik, een bedankje en een tot gauw. Ik loop mijn moeder achterna de huiskamer uit. Ik moet er rechts uit, via de deur met toegangscode. Zij loopt de gang in naar links, draait zich nog even om, laat me haar tranen zien, draait me weer de rug toe en loopt verder naar haar kamer. Ik heb intens met haar te doen.

‘Dag mam.’

Tot een poosje geleden maakte dit mij zo verdrietig dat ik de vijftig minuten in de auto naar huis door mijn eigen waterlanders naar de weg keek. Misselijk, met een hese stem en een verstopte neus kwam ik thuis. Nu word ik er nog weleens moe van, maar ik heb me erbij neergelegd dat dit er nu ook bij hoort.

Poedersuiker

Snel druk ik de spoelknop in, trek mijn broek omhoog en ren dan naar de kamer. Een nummer in Zwijndrecht. De pedicure van mama? Het verzorgingshuis? ‘Met Esther.’ De telefoon klem ik tussen mijn oor en schouder en ik rits mijn broek dicht. Ik voel dat de nagel van mijn wijsvinger afbreekt. Het blijft stil aan de andere kant. ‘Met Esther. … Hallo?’
‘Hallo,’ klinkt dan haar stem, op een toon die ik interpreteer als ‘ja, wat wil je van me’. Ik blijf even stil, want zij belt mij immers. Maar zij blijft ook stil.
‘Mam?’
‘Ja?’ Ze zegt het alsof ze van mij nu een gesprek verwacht.
‘Hoe is het met je?’ vraag ik. Want zo beginnen onze gesprekken altijd.
‘O, gaat wel. En met jou?’
‘O, gaat ook wel.’ Ik vraag me af waarom ik zo antwoord en niet gewoon zeg dat het goed gaat. Het blijft weer even stil.
‘Wat is nu je plan?’ vraagt ze.
‘Mijn plan?’
‘Blijf je nog even hier, of ga je zo alweer weg?’ Denkt ze nu dat ik daar ben?
‘Hoe bedoel je dat?’
‘Ik wil even weten wat we gaan doen. Of ga je zo weg?’ Ik denk even na.
‘Nou mam, ik ben nu nog thuis.’
‘O, je bent in eh, in eh, hoe heet het, in Tilburg.’ Daar woon ik al ruim veertien jaar niet meer.
‘Ik ben nu thuis in Leiden.’
‘Nou, dan houdt het op hè. Dan moeten we maar snel een afspraak maken.’ Ze zegt het in haar Achterhoekse dialect, haar moederstaal, waarin wij vroeger nooit communiceerden, maar tegenwoordig bijna alleen maar.
‘Ja, ik kom gauw weer. Ik was er twee dagen geleden nog hè, we hebben samen geluncht en we zijn naar de neuroloog geweest.’ Het bericht komt niet aan.

De rest van het gesprek is eigenlijk haast niet na te vertellen. Er is geen samenhang en ik vraag me weleens af of het in haar hoofd wél ‘klopt’, of ze het in haar hoofd wel snapt. Of het daar wel samenhangend is, of ze de weg soms nog vindt in de poedersuikermist die over haar hersenen hangt. Zo zie ik dat soms voor me.

Als ik vraag of ze de telefoon aan een verzorgende wil geven, blijft het wel een minuut stil.
‘Hallo?’
‘Hallo.’
‘Mam, wat doe je?’
‘O, gewoon een beetje rondlopen.’ We praten weer wat, of doen een poging tot, dat is beter gezegd. Al snel vraag ik weer of ik een verzorgende aan de telefoon mag.
‘Waarom?’
‘Omdat ik iets wil vragen.’
‘Wat wil je dan vragen?’ Ineens is ze erbij.
Ik lach: ‘Dat wil ik gewoon even zelf doen.’ In mijn hoofd hoor ik het háár tegen míj zeggen. En ik betrap mezelf er ook op dat ik met mijn zoon dezelfde vraag-antwoorddynamiek had kunnen hebben. Dit is zo’n moment waarop de traditionele rollen omgedraaid zijn.

Het duurt even voordat ik iemand aan de telefoon krijg. Zij weet ook niet goed waarom mijn moeder me wilde spreken. Ze heeft nog wel een nieuwtje: de enige man op de afdeling is gister overleden. Henk (niet zijn echte naam) was de buurman van mijn moeder, zowel op de gang als aan tafel. 94 jaar mocht hij worden, een luchtweginfectie was te veel voor zijn lichaam.

Mijn eerste ontmoeting met Henk was beangstigend. Woedend stond hij voor me, met een centimeter of twintig tussen ons in. Hij gebaarde wild met zijn stijve handen, zijn gezicht was rood aangelopen en hij schreeuwde naar me. Hij was ervan overtuigd dat de spullen in mijn handen van hem waren – maar ze waren natuurlijk gewoon van mijn moeder. Ik was bang dat hij me een mep zou verkopen, wat overigens niet gebeurde. Gelukkig, want er school een grote kracht in hem.

In de daaropvolgende weken kwam ik erachter dat het een lieverd was. Zolang ik hem bij binnenkomst maar een lach schonk, en een aardige begroeting. Na een langzame tel of vijf ontdooide zijn gelaat, keek hij me met waterige ogen aan en gaf hij me een tanden ontblotende lach die me tot diep van binnen ontroerde. Op een dag kwam ik de gezamenlijke huiskamer in en was hij aan het dansen met een van de verzorgenden. Een goeie bui en muziek: dat was alles wat hij tot voor kort nodig had om zijn benen in beweging te krijgen. Na het eten ging hij ‘aan het werk’. Tussen aanhalingstekens, want de map vol reclamefolders en oude papieren waar hij op zijn gemak doorheen bladerde, was natuurlijk geen werk. De folders gingen eruit, werden naast de map gelegd, opnieuw met veel zorg gerangschikt en weer in de map gedaan.

Nog niet zo lang geleden kwam hij in een rolstoel terecht. Zijn benen weigerden inmiddels dienst en ik heb hem niet meer zien lopen, laat staan dansen. De laatste keer dat ik hem zag, was twee weken terug. Ik bakte pannenkoeken met spek voor de hele afdeling. Hij smulde ervan. Op een gegeven moment kwam mijn zoon naar me toe: ‘Mam, Henk giet expres zijn thee op zijn bord en hij strooit allemaal poedersuiker op de tafel en ik zei er wat van en toen zei oma dat ik me met mijn eigen zaken moet bemoeien.’ Ik liep naar de tafel en kon niet anders dan hard lachen: Henk was kwistig aan het schudden met de bus en de anders bruine tafel zag wit.
‘Henk, wat doe je nou? De tafel is toch geen pannenkoek?’ Mijn zoon begon ook te lachen, hij vond het hilarisch – en dat was het ook!
‘Bemoei je er niet mee, dat lossen we zelf op,’ sprak mijn moeder me streng toe. Ik schonk haar geen aandacht en keek naar haar buurman.
‘Joh, kom maar met die bus, dan zet ik ‘m weg,’ lachte ik. Maar Henk bleef poedersuiker strooien en keek me vanonder zijn wenkbrauwen aan. Zag ik glimmende pretoogjes? ‘Henk, kom, geef ‘m maar, je gaat de tafel toch niet opeten?’ Mijn zoon gierde het uit. Ja hoor, wat ik zag in Henks ogen was een mengelmoes van onschuld en pret. Ergens in zijn hoofd wist hij dat wat hij deed ondeugend was. Dat was Henk. De volwassen man als klein kind op zoek naar een grap. Zelfs (of juist? wie zal het zeggen?) in zijn dementie.

Ik slik de brok in mijn keel weg. ‘Weten de bewoners dat hij is overleden? Vertellen jullie dat? Hoe is het voor mijn moeder dat haar tafelgenoot er niet meer is?’ Het beeld van die ontroerende man die een berg poedersuiker op tafel strooit, flitst door mijn hoofd en ik besef dat ik een prachtig laatste beeld van hem heb. Hoe zou zij zich hem herinneren? Nou, dat is dan weer het voordeel van háár dementie, van de poedersuiker in haar hoofd. Het komt niet zo binnen, de mist bedekt het nieuws. Ze is het alweer kwijt.