Als de dag van gister

Vorig jaar schreef ik op deze zaterdagavond (het was toen 8 juli): ‘Steeds is het afscheid nemen een beetje moeilijker. Steeds vraag ik me af: zie ik je nog eens?’

Ik zag mijn broer niet meer. Op vrijdag 7 juli had de arts in het ziekenhuis gezegd dat hij niet meer terug hoefde te komen. Uitbehandeld. Laatste fase. Afwachten. Dat soort dingen. Woest was-ie. Onze vader en zijn moeder zouden nog geen jaar later allebei hun tachtigste verjaardag vieren – en hij zou dat niet meemaken. We hadden het allemaal aan zien komen, maar waren toch, tegen beter weten in, blijven hopen op een wonder.

Als de dag van gister zie ik ons zitten op een terrasje in de Bosjes van Pex, achter zijn huis. Zijn vrouw, zijn beste vriend, onze vader met zijn partner, de kinderen. De zon scheen, zijn semi-professionele camera lag op tafel. Hij dronk icetea, wij namen koffie en later een glas wijn. De kinderen sprongen op een luchtkasteel en we bestelden pannenkoeken en appelsap.

Nog altijd voel ik het ongemak dat als een draadje tussen ons allemaal gespannen stond. Een voorzichtige lach probeerde het verdriet op onze gezichten te maskeren. Soms liet iemand zijn tranen gaan. Patrick was boos, zo boos… En wat in de kinderen omging, daar konden we alleen maar naar raden. Uit alle macht probeerden we een soort van leuke middag te hebben met elkaar, een waardevol samenzijn te hebben. Maar dat ging niet zonder te benoemen wat er aan de hand was. De behoefte aan een écht gesprek was zo tastbaar en het hardop benoemen van de werkelijkheid zó nodig. Maar niemand van ons wilde daadwerkelijk beseffen dat haar man, hun vader, hun zoon, hun broer, hun vriend, er binnenkort niet meer zou zijn. Dat besef was té pijnlijk.

Dat is terug te zien in de foto’s. Na zijn overlijden, drie weken later, kreeg ik een envelopje met daarin afdrukken van foto’s die Patrick zelf nog die middag van mij had gemaakt – hij had de zoomknop fervent gebruikt. Ik kijk er niet graag naar, maar koester ook het laatste beeld dat hij van zijn zusje had.

Hij wilde die middag lopend naar huis, verfoeide de rolstoel. Mijn zoon ging erin zitten en we maakten een geintje, zo’n gemaakt moment waarop je weer even adem kunt halen. We hebben daar ook een foto van: onze vader, Patrick met wandelstok naast de rolstoel, mijn zoon erin en ik erachter.

Vorig jaar schreef ik: ‘Vrolijk toeterend en zwaaiend rijden we weg, maar zodra we de hoek om zijn, biggelen dikke tranen over m’n wangen. Er is geen houden meer aan. M’n zesjarige zit naast me en vraagt: ‘Oom Patrick?’ Ik knik.

Het was de laatste keer dat ik hem zag.

Advertenties