Zondagmorgen

Met een onrustig gevoel in mijn borst loop ik de weg langs de marktkraampjes terug. Overal vraag ik of ik mijn agenda daar heb laten liggen. Daar staan belangrijke dingen in. Die mag ik niet kwijtraken. En ik moet snel zijn, want er wacht iemand op me. Een koopman geeft me een kartonnen doosje dat ik heb laten staan – maar dat ik niet herken. Er zitten foto’s in van vroeger. Foto’s die ik nooit eerder zag. Maar mijn agenda dan?

Een geluid. Het is een deur die langzaam opengaat. Schuifelende voetjes. ‘Esther?’ klinkt een jongensstem naast mij. Zal ik doen alsof ik nog slaap? Ik wou dat ik nog sliep… ‘Esther?’ vraagt hij nog eens. En nog eens.
‘Hmmm,’ eerst m’n stem wakker maken. ‘Ja moppie?’
‘Mogen we op de iPad?’ Ik voel een lichte ergernis, moet ik daarvoor gewekt?! Ik zoek mijn mobiel, 7.32 uur. Te vroeg! En ik heb straks avonddienst!
‘Lieverd, het is pas half acht en het is zondagochtend!’
‘Wij zijn altijd om half acht wakker.’ Ik ben even stil, denk na. Te zoet ook eigenlijk, dat-ie het komt vragen, in plaats van dat ding gewoon te pakken.
‘Nou. Ja. Oké, toe maar.’ Hij loopt terug naar de slaapkamer.
‘Jongens, we mogen op de iPad.’ Zouden ze de jongste expres hebben gestuurd om het op te knappen?

Ik draai me weer om, sluit mijn ogen. Het was een droom, besef ik, ik was mijn agenda niet echt kwijt. Ik liep niet over een markt in… was het Den Haag? Maar van wie waren die foto’s eigenlijk? En met wie was ik daar? Wie wachtte op mij? Ik hoor de deurklink bewegen, nauwelijks, maar toch, en dan het mij overbekende zachte geluid van de blote voeten van mijn zoon op de houten vloer. Hij zet ze behoedzaam neer, weet ik, omdat hij mij niet wakker wil maken. Ik open een oog en zie hoe hij de iPad tussen een stapeltje boeken in de kast vandaan probeert te halen. Hij stoot per ongeluk een muis om die daar eigenlijk nooit ligt. Het ding valt op zijn voet uit elkaar. ‘Au! Au! Ooo, sorry!’ Ik moet een lach onderdrukken.
‘Gaat het een beetje? Doet het erg pijn?’
‘Het gaat wel. Sorry mam.’
‘Goeiemorgen schat.’
‘Goeiemorgen we mogen toch op de iPad?’ De woorden vliegen van zijn tong.
‘Ja, dat mag. Maar je gaat niet schieten, daar ben je te jong voor en het is veel te vroeg.’
‘Nee, ik ga DuoLingo doen.’ Zijn braafheid ontroert me, maar ik weet heus wel hoe het eindigt.

Dan komt de derde, de oudste van het stel de kamer in. Niks voorzichtigheid. De deur gaat met een zwaai open en hij wandelt naar de gang om zijn eigen iPad te pakken. Ik kom overeind en strek mijn armen naar hem uit. ‘Kom maar even, dan voer ik de wifi in. Die heb je toch nodig?’ Hij knikt. Dat invoeren, van een code die we pas een week of twee hebben, gaat zowaar in een keer goed. Ik aai hem over zijn bol: ‘Heb je eigenlijk wel lekker geslapen?’
‘Ja, we hebben gelukkig niet lang gekletst.’ Er verschijnt een lach op mijn gezicht. Als ik ging logeren, wilde ik niets liever dan de hele nacht kletsen.
‘Maar jullie hebben toch best wel lang liggen lezen.’
‘Ja, want Sam vindt lezen toch ook leuk?’ Ik beaam dat en dan draait hij zich om richting de slaapkamer.
Ik probeer nog: ‘Liever niet schieten en zo hoor, het is nog zo vroeg.’ Hoewel ik daar echt in geloof en serieus tegen al dat spelgeweld ben, hoor ik ook hoe suf dat moet klinken in zijn oren. ‘Ach, laat ook maar. Je hebt je eigen afspraken met je ouders. Speel maar gewoon waar je zin in hebt.’

Drie jonge jongensstemmen klinken algauw vanuit de slaapkamer. Zo veel lol. Nog voor 8.00 uur, op zondag. Ik hou van mijn slaap, maar nog meer hiervan.

Advertenties