Chaos

This morning Facebook reminded me of something I wrote four years ago: ‘It’s hot. It’s sticky. It’s noisy. It’s complete chaos.’

Knowing my house was in Calle Casanova in Barcelona at the time, one might think there was another protest or referendum of some kind happening on the streets below my French windows. There might have been, actually, but it wasn’t about that. I instantly remembered the disorden in which I was living, and the uproar happening on my insides. I was packing up my stuff, our stuff, and getting ready to do something I vowed would never happen: move back to The Netherlands.

I had been saying my goodbyes for weeks, months even. Saw the city through different eyes. Remembered all things that Barcelona life had given and taken away. It’s the place where I’ve lived my darkest days and was my happiest ever self. It was home.

These last few days, seeing the news, reading the papers and talking to Barna-people, I’m a witness to the division between the people, the people and the government, both regional and national, their frustrations, them not being heard, people hurting each other, scolding at one another for wanting something else, the unspoken for violence. When I think of what watching Spanish television is like, it’s actually really no surprise the way this is unfolding. Because on tv no one listens to the one who has the floor. Everyone just starts yelling and screaming to be heard. But as no one listens, no one hears. (*)

It hurts to see my home crumbling like that. No one wishes chaos upon their safe place.

Leaving my life and everyone and everything in it behind was maybe the second hardest thing I ever did. There was a constant ache for so long, but the triggers to my tears have become less through the past four years. Building a new life requires letting go of the old one. It takes time. Lots of effort. Lots of going with different flows, trying to find one that suits mine. Chance meetings with lovely human beings, taking care of old friends, making new ones. It’s exciting to build traditions and find joy in moments and places I never thought of before. It’s hard but oh so rewarding to make sure me and my boy are as comfortable as possible in our own skin. It may still be chaotic, but then again, I might not want to live without it.

And in the meantime I hold on to the thought that someday, somewhere, I will come home.

(* Curious side note, as today the city I now live in celebrates being freed from the Spanish in 1574.)

Leven en dood

Op een mooie meidag speelt ze met mijn kleuter in de branding van de nog koude Middellandse Zee. Ze kent hem al vanaf toen hij een paar maanden oud was, was zijn eerste vaste oppas. Ik blijf op afstand, mijn oog achter de lens van mijn spiegelreflexcamera – die ik alleen maar heb gekocht om mooie foto’s van mijn zoon te kunnen maken.

Terug in de chiringuito bestel ik een mojito. Ik roer wat door het glas waar veel te veel ijs in zit en ik kijk naar ze terwijl ik door de twee rietjes drink. Ze lopen naar de handdoek en gaan naast elkaar zitten, niemand om hen heen. Ik zie het perfecte plaatje. Haar opgestoken haar boven een groene bikini. Zijn smalle ruggetje, het donkere haar dat afsteekt tegen de groenblauwe zee voor hen. Ik pak de camera weer vast en ren erheen. Achter hen plof ik op het zand, zonder dat ze me in de gaten hebben. Klik. Focus, klik. Zoom in, uit, focus, klik. Een intiem beeld. Vertrouwd.

Ik ben helemaal in mijn nopjes met de mooie foto en kan niet wachten hem haar te mailen. Maar dan voel ik me schuldig. Bezwaard. Verdrietig. Moet ik haar die foto wel sturen? Ze wil ’m best hebben, in een lijstje op haar nachtkastje, maar dan met een ander kind. Háár kind. Haar Noa.

Maar Noa is dood.

En wat vind ik deze vrouw dapper en liefdevol dat ze dit soort momenten met andermans grut niet uit de weg gaat. Want ondanks dat ze misschien lol maakt, doet het haar ook pijn. Rouwen is nou eenmaal moeilijk. Uitputtend, verwarrend, eenzaam. Wanhopig en frustrerend eenzaam. Ik ‘mag’ dat zeggen, want ik weet dat.

Ik wou dat ik ook wist wat er in de toekomst ligt. Of zij op een dag haar fotoalbum kan vullen met foto’s van haar eigen vlees en bloed. Maar ik weet dat niet. Ik weet alleen dat het leven doorgaat, tegen wil en dank. Met of zonder jou. Zij heeft nu besloten dat ze mee wil blijven doen, hoe pijnlijk en confronterend dat ook is. Dat ze vooruit wil blijven kijken. Nooit eerder zag ik haar zo boos. Zo vastberaden. Zo duidelijk op weg.

In juni van dit jaar is het een jaar geleden dat haar dochter overleed, tien jaar geleden dat de mijne overleed. In de eerste paar jaar van onze vriendschap deelden we anekdotes over mijn zoon, nu stelt ze me vragen over hoe dat eigenlijk met mij ging, tien jaar geleden, hoe ik dat ervoer, hoe ik verder ging, hoe het elk jaar weer is als ‘de datum’ eraan komt, hoe ik die dag doorbreng. Hoe bizar is het dat zij en ik allebei een grafje op een berg in Barcelona hebben? Met niemand anders heb ik ooit eerder op deze specifieke manier over mijn dode kindje kunnen praten.

En ik besef: zij en ik zijn met elkaar verbonden door onze kinderen. Levend en dood.

Papa

Een klamme voorjaarsochtend. We slenteren hand in hand door de nog stille, smalle straatjes van El Born. Ontwijken plassen die de stadsreiniging vanmorgen vroeg heeft achtergelaten. Wapperen met onze handen om de vliegen die uit de rioolputdeksels omhoogkomen weg te jagen. Ik adem bewust zo lang mogelijk uit en ik zeg:
– Lieverd, ik wil je wat vertellen. – Het blijft stil. – Hier in deze straten woont een meneer. En die meneer is jouw papa. Die woont hier in Barcelona.
– Oh? – klinkt er verwonderd uit zijn mond. Maar op dat moment lopen we een hoek om en stuiten we op wegwerkzaamheden. Er staat een graafmachine en mijn zoon (3 jaar en, op de kop af, 7 maanden) wijst en roept: – Kijk mama! Een grrraaf-ma-chine! – Hij raakt compleet afgeleid en ik besluit het onderwerp op een ander moment te herpakken.

Twee dagen later zitten we ’s morgens in een koffiebarretje vlak bij het Picassomuseum. Als de oude baas ons een flesje water en een café con leche, corto de leche heeft voorgezet, haal ik diep adem.
– Zeg schatje, ik wil even met je praten.
– Oké.
– Het is heel belangrijk, dus ik wil graag dat je goed naar me luistert.
– Oké, mama.
– Jij hebt mij wel eens verteld dat F een mama heeft, en nog een mama, en een oma.
– Ja, twee mama’s – hij telt met zijn vingers – en een oma. En B heeft ook een mama en een papa en een broertje. En L heeft een papa en een mama. En een zusje!
– En P?
– Die heeft alleen maar een papa.
– En jij lieverd? Jij woont samen met mama.
– Ja, ik heb alleen een mama. Ik ben met jou.
– Nou, daar wil ik het dus over hebben. Want jij hebt namelijk wél een papa. – Het is drie seconden, niet langer, stil. Dan zegt hij resoluut:
– En die woont in Barcelona. – Ik zit met mijn mond vol tanden en moet dan een lach onderdrukken.
– Zo, jij kunt goed luisteren! Je hebt gelijk, hij woont in Barcelona.

Het blijft even stil. Ik neem een slok van mijn koffie terwijl ik het gezicht van mijn zoon bestudeer en ik bedenk wat ik nu ga zeggen. Hij speelt wat met een suikerzakje, lijkt niet bijzonder onder de indruk van ons gesprek. Ik zet mijn kopje neer.

– Denk je dat je hem een keertje wilt zien? Of wil je dat liever niet? Het hoeft niet.
– Ehm… liever wel. – Ik voel mijn hart kloppen.
– Oké. Dan ga ik dat proberen te regelen. Maar het is belangrijk… – Hij wordt afgeleid door mensen die de bar binnenkomen en naast ons gaan zitten. – Lieverd, kijk eens naar me. Het is belangrijk dat je begrijpt dat hij hier blijft wonen. Hij gaat niet met ons mee. Jouw papa blijft hier, in Barcelona.
– Oké. – Ik probeer iets in zijn gezicht te ontdekken dat zijn rust en zelfverzekerdheid tegenspreekt. Maar ik zie het niet.
– Vind je dat goed, denk je? Dat wij tweetjes dan samen blijven?
– Ehm… ja. Dat vind ik goed. – Hij knikt er overtuigend bij. Ik hou mijn koffiekopje omhoog en hij botst zijn waterflesje ertegenaan. – Proost, mama! – En hij pakt zijn brandweerautootje om hem vol trots te laten zien aan de Amerikaanse toeristen naast ons.

Barcelona is voor mij…

1. ‘Masaje masaje! Quieles masaje? Muy bueno!’ De vele Aziatische vrouwtjes die dag in dag uit de stranden aflopen en je voor 5 of 10 euro een pittige rub down geven.
2. De stad die ik begin januari 2004 vanaf de trappen voor het Museu Nacional d’Art de Catalunya overzag. Ik was pas een dag of drie, vier in de Catalaanse hoofdstad en besloot op dat moment dat er zo veel te ontdekken viel, dat ik er maar moest gaan wonen. Na drie maanden keerde ik begin april terug naar Nederland om alles af te handelen en af te sluiten. Officieel emigreerde ik op 1 mei 2004.
3. Een stad met vele gezichten. Mooi en lelijk.
4. Jonge kinderen die hangend in de armen van papa of mama met hun broek op de enkels naast een boom plassen.
5. Het door de massa onontdekte Planet Café in de wijk Eixample Esquerra. Ik liep er jarenlang voorbij zonder er naar binnen te lopen, enigszins geïntrigeerd, maar toch afgestoten door het ‘gewone cafépubliek’ dat ik er naar binnen en buiten zag gaan. Maar toen ontdekte ik het… Het is er gezellig aangekleed, in de winter heerlijk knus warm, in de zomer fijn koel, ze hebben er wifi, altijd leuke muziek, de tv staat aan zónder geluid, en ze serveren heerlijke (kruiden)thee, lekkere broodjes en taarten.

6. Oudere buurtbewoners die een praatje maken met de krantenverkoper van de kiosk.
7. De stad waar seks verward wordt met liefde, en liefde vervangen wordt door seks.
8. Laagstaande zon die de straten in de winter heiig maakt.
9. ’s Winters: een koud huis zonder cv, koude voeten, koude handen, koude neus. Een fleecedekentje als laken in bed onder het dubbele dekbed. Zo’n zelfde dekentje over de koude kussensloop. Warmwaterzakken (meervoud) in bed en overdag onder/op de voeten. Een sjaal om die niet meer afgaat. Continue inname van thee en soep. Typen met handschoenen aan. Het jaar erna tochtstrippen aanbrengen en een nooit eerder ontdekt gat in de muur provisorisch dichten.
10. Zomers: een verstikkend huis waar je de warmte bijna in ziet hangen en die je haast opzij moet duwen om je te kunnen voortbewegen. Water, ijsblokjes, een usb-ventilatortje dat je inplugt in je laptop, overdag de ramen en luiken dicht om de hitte buiten te laten. De hond op en onder een natte handdoek. Om het uur een snelle, koude douche – afdrogen niet nodig.

11. Picknicken op de overblijfselen van een oud luchtafweergeschut dat stamt uit de Spaanse Burgeroorlog. Met een fenomenaal uitzicht over de stad, de naastgelegen stadjes, de bergen, de vallei, het vliegveld, de zee. 360 graden rond wordt je uitzicht niet belemmerd. Een fantastische plek om aan de drukte van het centrum te ontsnappen, zonder de stad uit te gaan.
12. Zwervers, dronkenlappen en slecht opgevoede mannen die bij de afvalcontainers voor de deur piesen.
13. Uitgebreid of juist heel snel een driegangenmenu verorberen. In sommige restaurants komen veelal mensen die geen zin of niet de mogelijkheid hebben om op kantoor te zitten met een boterham. Daar wordt met een snelheid gegeten waar je u tegen zegt. Als je nog aan je salade vooraf zit, komt de vis al op tafel. En liggen er nog aardappels op je bord, komen ze vast vragen of je koffie wilt. In andere restaurants doen ze er wat langer over en kun je uren tafelen met een fles wijn, een fles water, een voor-, hoofd- én nagerecht voor een prijs die rondom de 10 euro ligt. Geen grap.
14. Waar ik mijn Mexicaanse hermana ontmoette. Zulke verschillende levens, maar met dezelfde gevoelservaringen en levensvragen.
15. Bij ‘de Chinees’ voor een paar euro alles kunnen kopen wat je op een onbewaakt ogenblik maar nodig kunt hebben: een zeefje, siliconenkit om een loszittend raam vast te zetten, een speelgoedautootje, een sjaal omdat het ineens koud is, extra bestek of borden voor onverwacht bezoek, plakband, een prullenbak, een radiowekker, batterijen, een wasrek, kaarsen, paperclips, een reiskoffer, fotolijstjes, kurkentrekker, scartkabel, kleding, telefoonhoes.

16. Een interessante bijeenkomst met een psycholoog op de crèche niet kunnen volgen, omdat mijn (en dat van andere ouders) sprekend Catalaans niet vloeiend genoeg is en ze desondanks weigeren het in het Spaans te doen.
17. Politieke debatten op tv, tot diep in de nacht. En ook de meest waardeloze reality-tv die je je maar kunt voorstellen.
18. Fantastisch openbaar vervoer. Naast of voor de deur. Je komt overal en nog redelijk snel ook.
19. Slimme en geniepige dieven die je op klaarlichte dag, zonder dat je het in de gaten hebt, recht onder je neus bestelen. Gelukkig hebben ze mij nooit besodemieterd.
20. Winter 2004 – mijn eerste kerst zonder familie. Kerstavond kookte ik voor mijn overgekomen, toenmalige vriend en eerste kerstdag brachten we door met het schilderen van mijn appartement. We aten pizza en dronken wijn. Geniaal. Later vierde ik kerstavond met dierbare vrienden en/of vriendinnen, in de stad, bij iemand thuis of aan mijn eigen eettafel. Ik begon mijn eigen tradities voor de feestdagen te ontwikkelen: puzzelen voor kerstavond echt aanvangt, kippetje vullen en in de oven, zoete aardappels, lekkere wijn, een late avondwandeling door de stad, even binnenwippen bij de nachtmis in de kathedraal, chocolade met churros nuttigen voor we naar huis gaan. Wát een heerlijkheid! Eerste kerstdag naar een goede vriendin en haar gezin en schoonfamilie. Na het eten kwamen er vrienden over de vloer en werden er gin-tonics geschonken.

21. Het ene na het andere protest. Groot en klein. Onopgemerkt door de grote meute of van dusdanige proporties dat het de buitenlandse kranten haalt. Vredelievend, of met dramatische afloop. Maar altijd indrukwekkend als je de moeite neemt even stil te staan bij het waarom achter het protest en hoe iemand zich voelt, wat hij ervaart om aan zoiets mee te doen. Er zijn meelopers, maar voor velen is het een letterlijke schreeuw om aandacht waar een zekere mate van wanhoop uit blijkt. In godsnaam luister. In godsnaam doe iets.
22. Alex.
23. Te veel vuile mensen op straat die (wel moeten) bedelen om geld. En denk maar niet dat het allemaal dronkenlappen of drugsverslaafden zijn. De gevolgen van de crisis zijn in Barcelona helaas maar al te goed zichtbaar.

24. Kinderen die tot laat in de avond op straat spelen of er slapen op papa’s schouder, of in de buggy.
25. Een jonge vrouw die hartje zomer midden op een druk kruispunt in alle rust naast een vuilcontainer haar rok omhoogtrekt en zichzelf verlicht.
26. Een doorgangsstad. Afscheid nemen hoort erbij. Er gaat altijd wel iemand weg; terug naar het eigen land, of verder weg op zoek naar nog meer uitdaging. Veel vriendschappen blijken vluchtig. De eerste drie jaar dat ik in Barcelona woonde heb ik van zo veel mensen afscheid moeten nemen van wie ik dacht dat ze deel uit zouden maken van mijn nieuwe leven, dat ik een tijdlang mensen die ik voor het eerst leerde kennen eerst vroeg of ze van plan waren te blijven of te gaan. In de loop van de tijd ben ik er rekening mee gaan houden en ervan opkijken deed ik nooit meer, maar eraan wennen? Nee. Dat nooit.
27. Slenteren door andere wijken en me afvragen hoe het leven zou zijn gelopen als ik daar gewoond had. In een ander huis, met andere buren, een andere supermarkt, een andere koffiebar, een ander park en andere mensen. Met wie was ik dan bevriend geweest? Had ik misschien een ander netwerk gehad? Had ik misschien meer werk gehad? Was het leven makkelijker geweest, of moeilijker, of had het niet uitgemaakt? Zou ik daar dan nog wonen?
28. De vele ‘paki’s’ die je op het strand en in de parken agua cerveza beer coca cola en later op de avond ook wel verdovende middelen willen aansmeren. En elk jaar verzinnen ze iets nieuws, zoals verse kokosnoot en mojito’s.
29. Een aantal eenzame jaarwisselingen.
30. Sjieke dames met sjieke tassen die een sjiek kopje koffie drinken in de sjieke winkelstraat, zich schijnbaar onbewust van de decadentie die daar vanaf druipt.

31. Sportiviteit. Gedurende het jaar, vooral in de eerste helft, kwamen er verschillende (halve) marathons en andere hardloopevenementen mijn huis voorbij. Ik kwam elke dag wel joggende mensen op straat tegen, of in een park, langs het strand, of op de Montjuïc, maar dat er zó veel hardlopers zijn in de stad? Ik nam me elk jaar voor om het jaar erop ook eens mee te doen. Maar het bleef bij aanmoedigen of kijken en bewonderen vanaf mijn balkon.
32. Waar de kerstbomen in vergelijking met Nederland belachelijk duur zijn.
33. Jong en oud zoekend in de prullenbakken naar iets te eten. Mensen in prullenbakken zien zoeken naar iets te eten is heel naar. Als ik oude mensen dat zie doen, vind ik het daarnaast ook zo zielig, zo sneu. De laatste jaren komen er ook steeds meer jonge mensen bij. Dat komt extra dichtbij en vind ik ronduit schokkend.
34. Ontdekking. Van culturen. Van kunst en geschiedenis. Van het bestaan van zo veel subculturen. Van mezelf.
35. De plek waar mijn dochter begraven ligt. In een pijnlijk mooi wit kistje in een door de zon beschenen nis op de Montjuïc.

bijsarah

36. Waar ook mijn zoon geboren is, vijf jaar ‘na Sarah’.
37. Oude dametjes die al schuifelend zelf nog naar de supermarkt gaan voor een pak melk, in slow motion weliswaar, maar toch.
38. Heel veel heel goede, goede en minder goede kennissen – die tegenwoordig Facebookvrienden heten – en een handvol nieuwe vriendschappen for life.
39. Brood met écht lekkere olijfolie eten.
40. Wijnproeven in de Ribera. We schrijven november. De wintermuts beschermt tegen de kou die sinds een paar dagen de stad teistert. Maar koning Winter weerhoudt ons niet van een middag en avond slenteren door de oude straatjes terwijl we ons wijnglas steeds maar weer bijvullen en her en der lekkere hapjes en zelfs olijfolie proeven.

41. Strand. In elk seizoen. Op welke dag van de week dan ook. Wandelen. Ontbijten. Spelen. Zitten. Staren. Denken. Rennen. Drinken. Lachen. Zoenen. Dromen. Samenzijn en vieren. Alleen zijn en rouwen. Slapen. Vrijen. Afscheid nemen.
42. Een keurig nette vrouw van middelbare leeftijd die hartje stad, in de Carrer de Pelai, op de grond tegen een muur zit en daar al een paar jaar met een kartonnen bordje voor zich om geld vraagt.
43. Vrijheid. Gaan en staan waar ik wil. Zijn wie ik wil. Wanneer ik wil. Vrij zijn om echt eigen keuzes te maken.
44. Mensen die in je leven komen en net zo makkelijk weer gaan.
45. Levenslessen.

46. Oost-Europese meiden of jongens die je bij het uitstappen uit de metro omsingelen en je zo ontdoen van je portemonnee, mobiele telefoon of camera. Het is verschillende kennissen, vrienden en zelfs familieleden van me overkomen. Een keer stond ik erbij, maar ik keek er niet naar. De tante in kwestie begon keihard te schreeuwen – wat een longen heeft dat kleine, tengere vrouwtje. Ik pakte haar camera terug uit de broekzak van een van de twee berovers, ooms hingen aan de metrodeur om te voorkomen dat hij weg zou rijden. Wat een dramatiek was dat.
47. De beste cosmopolitan? Bij La Luna, vlak bij de Santa Maria del Mar. Ik heb er door de jaren heen heel wat besteld, maar daar maken ze hem toch echt het best.
48. Een verjaardag, of gewoon zo maar een dag, vieren op een picknickkleed in het Parc de la Ciutadella. Er een tukkie doen onder een van de palmbomen in het gras. Of er terechtkomen in een rave. Of er dansen onder het dak van de muziekkapel als het sneeuwt.
49. Altijd leven in de stad. Altijd.
50. Diep verdriet en teer geluk.

51. Waar ik de geheimen van latin lovers leerde kennen. Het begint met de oogopslag. Het gaat verder met de prachtige, allerliefste, complimenteuze, begripvolle, mooie, liefdevolle en vaker niet dan wel oprechte woorden die in zo’n lekker accent over hun tong rollen.
52. Waar mensen lijnrecht tegenover elkaar staan als het om onafhankelijkheid gaat. Waar sommige rasechte Catalanen weigeren Spaans te spreken, vooraan staan bij elke pro-Catalonië demonstratie en buitenlanders als ik de les lezen omdat ik het Catalaans niet, maar het Spaans wel beheers. Waar mijn bejaarde bovenbuurtjes, in Barcelona geboren en getogen, verdriet hebben om de onafhankelijkheidsbeweging en dat ze soms gedwongen worden een keuze te maken. Want ze houden van Barcelona en Catalonië, maar ze houden ook van Spanje en voelen dat ze deel uitmaken van heel het land.
53. Mooie gevels. Ik keek graag omhoog als ik over straat liep of in de bus zat.
54. Met maar zes mensen in een oud modernistisch paleis in huiskamersetting naar een prachtig concert luisteren.
55. Anoniem. Als je er alleen wilt zijn, dan kan dat. Als je er wilt verdwalen, dan kan dat. Als je er wilt verdwijnen, dan kan dat. Als je je er onzichtbaar wilt voortbewegen, zonder opgemerkt te worden, door wie dan ook, dan kan dat.

56. Mensen die door elkaar praten, schreeuwen zelfs, en zich niet eens bewust zijn dat ze weigeren naar elkaar te luisteren.
57. De stad waar ik perplex heb gestaan van de ondenkbare lafheid van een man die vader is, was had kunnen zijn.
58. Verborgen pleintjes met historie. Hoe vaak heb ik mezelf al voorgenomen om daar een boek over te schrijven?
59. Altijd je hand op je tas houden. Altijd. Ook als je aan tafel zit, buiten op een terras, of binnen in een restaurant. Hou altijd je hand op je tas. Laat ook nooit je mobiel op tafel liggen. Je denkt onterecht dat niemand die ongemerkt kan wegpakken.
60. De stad die me leerde over relativiteit.

61. Waar ik een paar jaar het ene na het andere baantje aannam om maar de huur te kunnen blijven betalen, terwijl ik zocht naar mijn weg. Bijvoorbeeld? Vertalen van een website voor appartementenverhuur, receptionist bij een hostel, spinninginstructrice, administratie doen op een groot kantoor van een internationaal bedrijf, serveerster in een (leuk!) Catalaans restaurant, een paar dagen per jaar meehelpen op de cannabis-beurs, smoothies en broodjes maken in een klein barretje, een paar fietstours, internationaal contactpersoon en sales bij een ander internationaal bedrijf dat parkeersystemen verkocht, lerares Nederlands.
62. Ontmoeten van mensen uit alle hoeken van de wereld.
63. Winterse siësta’s op het strand. Op een kleedje. Verwarmd door de zon. Verrukkelijk.
64. Waar ik de mooiste vuurwerkspektakels zag. Boven zee en bij de Font Màgica (magische fontein) aan de voet van de Montjuïc.
65. Kerstshoppen zonder jas aan. Even de voeten laten rusten op een terrasje in de zon. Maar wel overal sneeuwdecoraties zien. Een beetje vreemd, maar wel lekker.

66. Intrigerende subculturen.
67. Ontdekken van wat mij bindt aan Nederland en de Nederlandse cultuur. Het ontdekken van iets ongrijpbaars dat maakt dat Nederlanders in het buitenland elkaar vinden en elkaar moeiteloos begrijpen, op verschillende vlakken. Hoewel ik heel diep kan gaan met dierbare vrienden uit allerlei landen, toch praat het met een landgenoot vaak (niet altijd) nét iets makkelijker en lach ik nét iets vaker.
68. Het gezellige wandelen naar waar ik ook naartoe moest. Op de begane grond van de gebouwen zijn allerlei winkels, bakkers, supermarkten, cafés, galeries, restaurants, kleine bedrijfjes en kantoren gevestigd. Daarboven wordt gewoond. Hier geen saaie, vooroorlogse woon- of een ‘hippe’ nieuwbouwwijk.
69. Bijna non-stop politie- en ambulancesirenes horen.
70. Straten waar het nooit, maar dan ook nooit stil is. Maar als je geluk hebt, vind je een woning in een straat vlak achter de drukte, waar het lawaai op de een of andere manier aan voorbijgaat. Stilte, midden in de stad.

71. Waar ik graag ‘de’ liefde had willen vinden, en houden.
72. Waar ik door vrijwilligerswerk leerde over hersenverlamming. Erachter kwam dat de hersenverlamden in Barcelona en omstreken hun eigen microklimaat hebben met vriendschappen die veelal teruggaan tot in de kindertijd, toen ze elkaar leerden kennen op de speciale school. Ik mocht een boek schrijven over de stichting ASPACE, een beladen en waardevol project. Ze lieten mij toe in hun wereld, een bijzondere ervaring.
73. Vleesfondue met m’n vader in La Carassa, een knusse huiskamer waar we praatten en flirtten met David en Dani en altijd (te) veel cava, kirsch, caipirinhas, wodka en wijn nuttigden.
74. Een tekort aan goede, betaalbare kappers. Maar ik moet zeggen: daar is de laatste jaren een verandering gaande.
75. Verborgen extremen.

76. Cavacocktails drinken.
77. Waar ik een aantal mensen heb achter moeten laten die ik zó ontzettend graag mee had willen nemen.
78. Het haten van de overvolle, veel te drukke, emblematische Rambla. Maar als je de lange promenade op een rustig moment treft, is het anders. Als je niet zo hoeft uit te kijken waar je loopt en je omhoog kunt kijken, valt je oog op details die je anders nooit ziet. Prachtige gevels, een restaurant of winkel of bar of ijskraam waarvan je niet wist dat die er zat.
79. Als een stad in een roman, wanneer ik door de stationshal van Estació de França wandel en mijn koffer achter me aanrolt. Ik ga op reis met melancholie in mijn hart; eigenlijk wil ik niet weg. Ik kom er thuis in een wereld zó anders dan die waarin ik opgroeide.
80. Een dorp in een miljoenenstad: ik kwam er toch met enige regelmaat bekenden op straat tegen, in of buiten mijn wijk. Dat geeft een extra flair aan de dag.

91. Volle stranden als de zon schijnt, ongeacht de temperatuur die de thermometer aangeeft. In bikini of in dikke jas, het is altijd genieten.
92. Waar mijn ogen opengingen voor het vaak (niet altijd) voorspelbare gedrag van mannen en vrouwen binnen een relatie. Waar ik, niet eens zo zeer door eigen ervaring maar meer door wat ik om me heen zag gebeuren, leerde accepteren dat mannen vaker niet dan wel trouw zijn. Waar ik dan ook ben gaan twijfelen aan de noodzaak van monogamie.
93. Waar regelmatig met een vriendin een kopje thee of een glas wijn drinken op een terras deel uitmaakte van mijn dagelijks leven.
94. Niet weten wat de dag en nacht je gaan brengen. Verrassing!
95. Een uitvalsbasis naar strand, bos en bergen. Allemaal in no-time bereikt. Even naar zee? Bus 64 naar Barceloneta. Een frisse boswandeling? Met de ferrocarril naar de Collserola. Een dagje skiën of snowboarden? Twee uurtjes rijden richting de Pyreneeën. In stilte over de stad uitkijken? Metro en funicular naar een van de parken op Montjuïc. Een rustig strand opzoeken? L95 naar Castelldefels.

96. Vallen en opstaan.
97. Het hebben van slechts een handvol favoriete koffie-, tapas- en eettentjes, terwijl het er van barst en ik, vooral in de eerste paar jaren, de een na de ander uitprobeerde.
98. Ontdekken van één kant en dan de andere kant. Van mezelf. Van andere mensen. Van het leven.
99. Zo bekend en tegelijkertijd nog zo mysterieus en vol onontdekte plekken en mensen. Zo dichtbij in vlieguren, maar zo ver weg. In mijn hart, maar ongrijpbaar.
100. t h u i s

Se acabó

Con tres sellos de tinta azul y una mirada compadecente de la mujer que los ha puesto, se acabó. Es oficial: en Barcelona y el resto del país ya no tengo permiso de trabajar, o abrir una cuenta bancaria, o comprar un piso, o hacer cualquier otra cosa que no sea de turistas.

En mi copia del formulario veo que está marcado el ‘Baja por cese’. Detrás de ‘especificar la causa’ pone: regresa a país natal.

Fuera saco el paraguas. Llueve, lo cual es muy apropiado en este momento. Leo las palabras en el letrero del edificio: oficina de extranjeros. Pues eso: que soy extranjera. Ahora que he cedido el NIE, lo soy más que nunca. Es sólo un papel verde, ya lo sé, pero después de diez años en esta ciudad me siento, por primera vez, extremadamente fuera de lugar.

Creerás que soy tonta, pero tanto como llueve en la calle, llueve dentro de mi.

Adiós al jueves

El coche se aleja. Ella se queda mirándolo, la mano en el aire.

Adiós.

Los hombres en el vehicular familiar no se han dado cuenta de que sus ojos se llenaban de lágrimas. Que se mordía el interior de sus labios y sus mejillas. Igual no saben lo que ella siente. El niño en sus brazos sí que lo ve. – Mamá triste, dice. Se pone la cara muy seria y empieza a acariciarla la frente y el cabello. – Ya está, le dice, muy en serio. – Ya está.

Para él el adiós no es siempre muy grato, pero por lo menos es un momento en que puede practicar y demostrar todas las maneras e idiomas en que sabe despedirse. Que son muchas. Y ‘chocarla’ también es favorito. Además saludar con la mano, dar besos reales o besos de mano. Eso distrae y le hace feliz. Todavía no sabe de las consecuencias de un adiós. No conoce el ‘nunca más’.

Ella los conocía justo en la época en que se quedó embarazada del niño: un grupo de gente, sobre todo hombres, alguna mujer, de veinte y pico hasta cincuenta y algo de edad. Cada jueves se reúnen y entre ellos hacen una revista. Han dejado que ella entraba y poco a poco se iban conociendo, los jueves y algún otro día. Ella aprendió de parálisis cerebral, de este mundo dentro del mundo, de gente en algunos aspectos diferente, pero igual al resto. Se ha reído con ellos. Hizo un trabajo con ellos.

Hoy se dió cuenta de cuánto la agradecen, la aprecian, la valoran, la echarán de menos. Ahora, que estaba aparcado el coche con que la llevaron a su casa, se daba cuenta de cuánto significaba para ella relacionarse con este grupo de gente. Al darle al ‘jefe’ el último abrazo, al decirle las últimas gracias, pasaron por su cabeza tantos recuerdos hechos en sólo tres años y medio y notó en su interior la pena que sentía por no poder haber hecho aún más, por no poder seguir trabajando y aprendiendo al mismo tiempo.

Fue una gran época, una parte importante de su vida. Y ahora que el coche gris con el ‘jefe’ y el ‘modelo’ se aleja por última vez, se siente triste por tener que decir adiós. Adiós a las tardes de los jueves.

Timing

Als binnen een paar dagen tijd je lamp kapot springt als je hem aandoet, én je een barst ontdekt in het marmer om de gootsteenbak, én de doucheslang uit het niets dusdanig begint te lekken dat de waterdruk zowat weg is, én de olijfolie op is terwijl je nog een dag of vier moet koken, én een opdringerige Argentijn geen ‘nee’ wil horen, én je bank definitief doorzakt… Dan weet je dat je verhuizing goed getimed is.

De Ramblas

Met mijn ene hand onder zijn T-shirt, op zijn blote rug, en mijn andere verstrengeld in de zijne die losjes over mijn schouder hing, liep ik gelukzalig en licht in mijn hoofd van de mojito’s over de Barcelonese Ramblas. Van beneden tot boven. Van de haven tot Plaza Catalunya. Ik kon me niet heugen wanneer ik dat voor het laatst gedaan had; de Ramblas, hoe emblematisch ook, wekt afkeer door de honderden of waarschijnlijk duizenden toeristen die er overheen krioelen. Maar op dit late uur konden we vrijelijk slenteren, ongestoord in onze weg. We praatten. Lachten. Communiceerden zwijgend. Herinnerden. Keken. Zagen. Mensen, locals en vreemdelingen. Oude gebouwen, nieuwe hotels. Mooi. Lelijk.

Pakistanen kwamen met een plastic tasje op ons af en boden ons cerveza aan. Slenterende toeristen bleven staan bij de ‘portrettekenaars’ en karikaturisten. Een enkeling nam plaats. Jonge meisjes die er in hun korte, lijfomsluitende jurkjes en uitgelopen make-up ouder uitzagen, tippelden giechelend op hun torenhoge hakken heen en weer, niet goed wetend waarheen. Een groep opgeschoten Italiaanse jongens, eind tieners/begin twintigers, discussieerden over waar the best party was. Op Plaza Reial was niks te doen, volgens een van de Zuid-Europese fashion victims. Af en toe reed er een politieauto stapvoets voorbij, gewoon midden over de stoep. Een soort van robot-aliën met rood knipperende lampjes op zijn pak liep op stelten een clubopening te promoten. Een zwaar opgemaakt meisje met lang blond haar vroeg me in met een Oost-Europees accent doorlopen Spaans of ik een foto wilde maken van haar vriendinnengroepje. Aziaten, Britten, Noord-Europeanen en Amerikanen deden zich te goed aan patatas bravas, calamares, liters sangria en enorme pullen bier op de terrassen waar je veel te veel geld neer moet tellen om er te kunnen eten en drinken. Een jonge knul met een stapels flyers in de hand vroeg ons of we een fantastische avond uit wilden beleven. Sjiek geklede dames staken de Ramblas over, van Raval naar Gótico, en lieten een zweem parfum achter zich.

Genietend nam ik alles in me op. Af en toe stopten we en omhelsde ik hem zo hard ik kon, nu het nog kon. Soms kuste ik hem, ondanks dat hij net een zelfgerolde sigaret gerookt had. Halverwege, ter hoogte van de beroemde versmarkt begonnen mijn voetzolen zeer te doen van de hakken aan mijn voeten, die een zomer lang alleen maar slippers hadden gedragen. Zelfs een spier in mijn rechterbil begon te protesteren. De klok tikte verder, de oppas wachtte en over een paar uurtjes zou de wekker gaan om te waarschuwen dat het een weekend-werkdag was.

Maar de Ramblas kon me niet lang genoeg zijn en ongemerkt werden mijn al rustige stappen steeds langzamer. Het was een wandeling om nooit te vergeten.

Wakker

Ik leg het boek weg en reik naar de lichtschakelaar. Ik bedenk me, draai me om en kijk nog even naar mijn schatje, die daar zo vredig slapend naast me ligt. Als hij slaapt, lijkt hij zo groot. Ik kan me niet voorstellen dat hij nog maar drie jaar geleden een klein baby’tje was. Wat zijn z’n wimpers toch lang. Ik kus zijn wangetje, doe het licht uit en ga lekker liggen, hopende dat ik nu eens in slaap kan vallen.

Wat een heerlijkheid te weten dat mijn grootste rijkdom zo dicht bij me ligt. Onwillekeurig gaan mijn gedachten van ons fijne samenzijn naar de door het zenuwgas getroffen families. Naar de foto’s van de dode peuters. De weerzin die ik daarbij voel, mijn maag die omdraait. Dood. En ik denk aan dood. Ooit ga ik dood. Ik hoop nog heel lang niet. Hij heeft me nodig. Maar de dood komt steeds dichterbij. Vroeger was ik derde op rij: eerst opa en oma, dan hun kinderen en dan hun kinderen (waaronder ik). Nu opa en oma er niet meer zijn, ben ik tweede op rij.

En ik denk aan het (ooit) overlijden van mijn ouders. Beelden op mijn netvlies die ik liever niet zie. Ik denk eraan dat ik dan in elk geval dichtbij ben, in Nederland. Ik denk aan mijn zoon, die dan geen opa en oma meer heeft. Ja, nog een stel grootouders dat niet weet dat hij bestaat. Zou hij er ooit naar op zoek gaan? Hoe zou dat zijn, om hen te ontmoeten? Scenario’s vliegen door mijn gedachten. Wij daarheen. Zij naar Nederland. Of misschien willen ze wel niet.

En ik denk aan zijn vader. Aan de keren dat ze elkaar gezien hebben. Aan hoe wij elkaar ooit ontmoet hebben. Aan hoe ik in die bar terecht was gekomen, werkend als serveerster. Hij kwam elke dag koffiedrinken met z’n collega’s en bleef dan hangen voor een praatje. Ik denk aan andere klanten en collega’s die ik daar heb leren kennen. Er was een vaste klant die gedichten schreef. Op een dag gaf hij me een map met daarin al zijn gedichten gekopieerd. Die ligt in de verhuisdoos met spullen die niet in de opslag gaan.

Hoeveel dozen zou ik nog moeten kopen? Een stuk of tien? Ik moet nog naar Ikea daarvoor. Morgen? Overmorgen? Of zal ik het nog even uitstellen? Misschien eerst maar even mijn werk afmaken deze week. Ik kan nu toch niet meer inpakken dan ik al gedaan heb.

Morgen komt E oppassen. Wat zal ik gaan doen? Filmpje? Of met een boek op Plaza Reial? Ik denk het laatste. In het filmhuis draaien geen films die ik nog wil zien. Die voor mij de moeite waard zijn heb ik al gezien. Now you see me. Heel vermakelijk. Oh ja, morgen even de titel van die andere opzoeken en dan kijken of ik een script en de soundtrack van Ennio Morricone kan vinden. Mooie dialogen zaten erin. Ja, nu weet ik het weer, The best offer.

Ik luister lang niet zo vaak muziek meer als ik zou willen. Misschien dat ik daar, eenmaal in Nederland, weer verandering in kan brengen. Wat staat me daar nog meer te wachten? Ik denk aan de crèche, en dat ik mijn zoon via Facebook vooraf ga voorstellen. Ik zie mezelf fietsen, door weer en wind. Getsie. Ik hoef geen 30 graden en ik ben gek op een goeie regenbui, maar niet dat constante. Toch zal ik eraan gaan moeten wennen.

Ook een goeie voor op de lijst: een regenpak kopen. Of dragen mensen tegenwoordig poncho’s? Op beelden van het Prinsengrachtconcert zag ik ook heel het publiek in poncho’s. Vroeger droeg ik zo’n ouderwets blauw regenpak. Jas en broek. Wat had ik daar een hekel aan. ’s Morgens een halfuur of drie kwartier fietsen naar school, door de regen en kou en dan ’s middags weer terug. En altijd tegenwind. En niet te vergeten: die chemische, verstikkende lucht op de brug naar Dordt, afhankelijk van de wind. Laatst rook ik diezelfde lucht in Barcelona. Ik was meteen weer terug op de brug.

Van de brug in Dordt weer terug naar Leiden – naar fietsen in Leiden en omgeving – naar parken ontdekken – misschien een zwembad? – naar het zwembad in Barcelona, wat jammer dat ik dat het afgelopen jaar niet gedaan heb met die vriendin en haar zoon – naar onze playdate vorige week met een andere vriendin en haar dochter en de lol die we hadden in hun zwembad – naar dat zij misschien ook Barcelona uit gaan – naar zal ik hen informeren over de inschrijftoestand van de geboorteakte in Den Haag? – naar de to-do-lijst van papieren en verzekeringen en gas, water en licht – naar de huuropzegging – naar de dag van verhuizing – naar hoe ik dat het beste kan regelen – naar de laatste avond – met wie, hoe, waar – naar het afscheid – terug naar mijn zoons verjaardag – hoe, waar…

Scenario’s, beelden, gedachten, overpeinzingen, herinneringen: mijn hoofd is vol en druk en het gaat van de hak op de tak. Slapen lukt niet meer. Behalve ’s morgens natuurlijk, als ik er eigenlijk uit wil.

Nooit meer

‘Laten we zo afrekenen. C wacht op me op het plein. Zullen we erheen lopen? Dan nemen we daar afscheid en zien we elkaar nooit meer terug.’

Boem. Dat staat heel dramatisch, zo zwart op wit, maar dramatisch kwam de onbehouwen mededeling niet haar mond uit. Ze lachte haar parelwitte tanden bloot. Ik stond even versteld en met mijn mond vol tanden van de figuurlijke tik op mijn wang die ze had uitgedeeld. Toch moest ik ook lachen.

‘Ja, luister, we kunnen elkaar wel beloven dat we berichtjes gaan sturen, maar dat doen we nu ook zelden. En wanneer komen wij elkaar nou tegen? Ik ben misschien wat bot, maar laten we daar gewoon eerlijk in zijn. We zien elkaar na vandaag waarschijnlijk nooit meer en als dat wel zo is, is dat alleen maar hartstikke leuk!’

Haar directheid stuit bij mij soms op weerstand, maar niet op dat moment. Ik moest haar lachend in alles wat ze zei gelijk geven. Ik had er alleen tot op dat moment niet bij stilgestaan dat onze afspraak ook een afscheid zou zijn. En om daar zo kort door de bocht mee geconfronteerd te worden, tja, dat zou al helemaal nooit in me opgekomen zijn.

Even later stonden we daar dan, midden op een groot plein, overwoekerd met strandgangers, fietsers, skaters en wandelaars.
‘Het allerbeste meid.’
‘Jij ook. Het ga je goed.’
‘Veel geluk.’
‘Jij ook. En ook veel succes.’
‘En we zien elkaar op Facebook.’ Hahaha, dat dan weer wel.

S (m’n peuter) rende haar nog achterna, voor een extra knuffel en tientallen handkussen.

Het is begonnen: de afscheidsronde. De kop is eraf. Een onverwachte, vrij botte, maar ook vooral vrolijke kop.

Goochelarij

Aan het begin van deze avond genoot ik voor het eerst sinds tijden van een bioscoopfilm, pareo over de benen, zoete popcorn bij de hand. Now you see me nam me mee naar een wereld van magie, verbluffende trucs en ook de logische verklaringen die (bijna) alle illusie verbraken. Vier goochelaars met elk een eigen specialiteit bespelen in het verhaal hun publiek met zowel de oudste trucs uit het boekje als nooit eerder vertoonde stunts. En ze belonen hen met geld, veel geld. Er zijn er die in magie geloven. Daartegenover staan de cynici, met soms een minachtende houding naar de magiërs, artiesten, kunstenmakers, illusionisten, of hoe je ze ook wilt noemen.

Na de film wachtte ik op een vriendin en terwijl ik de straat afspeurde naar haar, liep er een man voorbij die me aansprak: Do you speak English? Hij had twee zichtbare tanden in zijn mond, droeg een keurig geruite bloes, had grijzig haar. Zijn broek en schoenen kon ik niet zien en ik vond het onbeleefd om hem duidelijk zichtbaar op te nemen. Ik bleef hem aankijken, glimlachte en zei: Yes, I do.

Hij vroeg of hij misschien wat van mijn tijd mocht hebben en iets mocht vragen. Het was duidelijk iemand met weinig middelen – om het maar eens op een andere manier te formuleren. Maar of hij ook op straat slaapt, dat betwijfel ik. Hij stonk niet. Misschien was hij een beetje dronken, maar als dat al zo was, dan maar een klein beetje.

Of course you can. How can I help you? Hij bedankte me oprecht voor mijn glimlach, vriendelijkheid en manier van spreken. Sommige mensen bijten me ja of nee toe. Of lopen weg. Hij vertelde dat hij geen werk heeft, niet omdat hij niet wil, maar omdat hij niets kan vinden en niemand hem aan wil nemen. Wist ik misschien een manier om aan werk te komen? Had ik misschien meer kennis van zaken? Kon hij niet via mij in een bedrijf aan de slag? Helaas moest ik hem teleurstellen.

Ondertussen was mijn vriendin aan komen lopen en had ik haar gegroet. Toen de beste man haar gedag zei, keek ze chagrijnig onze kant uit. Ik luisterde naar de rest van zijn verhaal; ik had 10 minuten op haar staan wachten, zij kon ook best even wachten. Hij vroeg me naar mijn afkomst en reageerde met een verhaal over Duitsland – hij dacht misschien dat Dutch en Deutsch hetzelfde zijn. Mijn vriendin kwam geïrriteerd tussenbeide, of ik meeging of niet. Ik kom zo, zei ik.

De man begreep dat hij er een einde aan moest breien en vroeg of ik hem misschien wat geld wilde geven voor een kop koffie, hij had zelf 20 cent. Ik, die mezelf net getrakteerd had op een bioscoopfilmpje, wilde hem dat niet weigeren en gaf hem al het losgeld dat nog in mijn portemonnee zat. Kun je twee koppen koffie van bestellen, zei ik. Hij bedankte me hartelijk en uitgebreid en wenste me nog een fijne avond. Ik wenste hem hetzelfde, maar toen hij mijn vriendin vriendelijk groette, kreeg hij wederom een minachtende snauw terug. Zo eentje waarvan hij me eerder had gezegd dat hij die constant naar zijn hoofd kreeg. Hij verexcuseerde zich naar haar, zichtbaar geraakt door zulks vertoon voor de ogen van een getuige. Terwijl ik achteruit van hem wegliep, mijn vriendin achterna, keek hij me in de ogen en zei dat hij de kaarten zou vragen om me te zegenen. Ik ga ervoor zorgen dat het in Nederland cadeaus gaat regenen voor jou.

Een goochelaar, een kaartenlezer, een trucjesman. Die net als de hoofdrolspelers van de film twee soorten mensen ontmoet: zij die (willen) geloven en zij die neerzien op. Ik voelde een plaatsvervangende schaamte voor mijn vriendin die haar afkeer zo overduidelijk tentoonstelde. Je geeft een dronkaard toch geen geld? Een dronkaard was hij niet, maar misschien wel een vermomde goochelaar?

Thuis

Toen ik rond 10 januari 2004 voor het eerst op de trappen voor het museum van nationale kunst van Catalonië zat en uitkeek over de stad die zich tot de bergen en verder voor mij uitstrekte, dacht ik: hier kan ik niet weg. Er viel zo veel te zien, zo veel te ontdekken en te beleven; daar was mijn leven tot dan toe niets bij. In Barcelona voelde ik me thuis op een manier die ik eerder nooit gevoeld had.

Op het moment van schrijven ligt mijn geliefde, Catalaanse stad op 1511 kilometer afstand. Ik breng de dagen door op m’n tweedehands fiets, waarmee ik langs de grachten van een mooie, historische dorpsstad in de Hollandse polder rijd. Ik doe mijn best sfeer te snuiven, schrijf schijnbaar leuke winkel-, koffie- en eetadresjes in een boekje en doe meer dan één poging me voor te stellen hoe het leven hier is. Ik probeer te beseffen dat ik hier straks woon.

Maar in de speeltuin ben ik dolblij als ik een moeder Spaans met haar kinderen hoor praten en vraag haar direct waar ze vandaan komt. De Madrileense vertelt dat ze met twee stellen op vakantie zijn. Dat is nou jammer. De volgende die mijn aandacht trekt, is een Italiaanssprekende vader en kort daarop komt een Amerikaanse vader met zijn kroost bij de wip staan. Ik ben onbewust op zoek naar de andere buitenbeentjes.

Over een paar dagen ga ik weer naar Barcelona. Naar daar waar bijna tien jaar van mijn leven ligt. Mijn gezin is er geboren. Ik heb er mijn eigen ‘familie’ gevonden: vrienden met wie ik lief en leed deel. Ik heb heel veel zin om na een maand uit de koffer geleefd te hebben weer thuis te zijn. Echter, ik weet dat thuis straks niet meer mijn thuis is en daardoor voel ik me, bij gebrek aan een beter woord, toch wat ontheemd. Heel langzaam, bijna ongemerkt, ben ik al maanden afscheid aan het nemen. Stuk voor stuk worden onzichtbare draadjes losgeknipt. Ik doe en zie dingen voor de laatste keer. Dus ja, ik heb heel veel behoefte aan thuis zijn, maar zie er, in alle eerlijkheid, tegenop om terug te gaan naar het huis waar mijn bed staat en waar ik post ontvang. Want ik wil de allerlaatste draden niet losmaken en ducht het aanbreken van de dag waarop ik voor het allerlaatst afscheid moet nemen.

Ik ben een gezegend mens, op velerlei vlakken, maar toch voel ik me verloren. Ik wil naar huis.

Mijn eerste koffie

Een paar uurtjes geleden heb ik, geloof het of niet, mijn allereerste koffie ooit gedronken.

Vaak heb ik het geprobeerd. Met veel melk. Met weinig suiker. Met veel suiker. Met weinig melk. Cappuccino, café con leche, espresso. Van alles. Want het is zo een gezellig drankje! Ik ben altijd jaloers op vriendinnen die met hun lepeltje zo heerlijk door de opgeklopte melk roeren en dan wat schuim met cacao erop van datzelfde lepeltje likken. Maar nee. Cafeïneshot nodig? Ik zocht mijn heil dan in cola, de light versie of red bull, vooral tijdens het autorijden.

Wat vandaag anders maakte? De situatie vroeg erom. Slecht geslapen, heel slecht, en veel werk te doen. No way dat ik wakker zou blijven met mijn ogen op een beeldscherm gericht. Nu had ik laatst een slokje geproefd van een frappuccino en dat was zo slecht nog niet. Dus ik toog vanmorgen naar de hoek van de straat, naar Starbucks.

Meer dan 4 euro moest ik neertellen voor de kleine variant, met caramel. Afzetters. Klein was ie overigens niet – misschien naar Amerikaanse maatstaven wel. En lekker! Flinke schep slagroom erop, extra caramel dribble erover. Jammie.

Achter m’n laptopje gezeten slurpte ik de beker zo leeg, met een rietje uiteraard. Zo drink je tegenwoordig koffie? Vraagteken? En al gauw voelde ik me… anders. Na een tijdje begon het bloed door mijn lijf te razen en kreeg ik een enorme kick. Gáán, wilde ik, met die banaan. Na een uurtje volgde een dipje. Ik begon te geeuwen. Dat laat met red bull altijd wel even op zich wachten. Maar dat dipje ging gauw voorbij en nog steeds voel ik me… opgefokt. Ja, dat is het goeie woord. Ik ben moe, maar opgefokt. En ik kan nog wel even doorwerken. Ik kreeg een ticket mee. Als ik die morgen inlever, krijg ik 50 procent korting op mijn frappuccino. Dat wordt weer een ochtendje opgefokt achter de laptop. Lekker.

Witte benen

Veel meiden die ik ken, stellen de eerste stranddag uit om één simpele reden: ze schamen zich voor hun witte huid. Die moet eerst gebronsd voor ze zich in bikini dan wel badpak dan wel monokini of misschien wel topless durven vertonen. Maar voor die laatste optie komt er meestal eerst een zonnebankkuurtje aan te pas.

Ik moet daar altijd een beetje om lachen. Eén dag moet de eerste zijn, denk ik dan. Iedereen komt wit de winter uit. Maar ik begrijp het wel, heus.

Gisteren was voor mij de eerste korte-broekdag. ’s Morgens was het nog een beetje fris en kon ik met lange broek de straat op. Maar ’s middags was dat niet meer te doen. Dus daar ging ik, met een T-shirtje, korte broek (net geen Daisy Duke) en een paar stappers eronder, want daarna zouden we een flinke wandeling langs de zee gaan maken. M’n benen, nog even snel glad geschoren, zagen bleekjes tussen de donkere spijkerstof boven mijn dijen en mijn bruine, korte laarzen onder aan m’n kuiten.

Een onzekere tiener ben ik al lang niet meer. Diëten doe ik niet aan. Maar net als bijna elke andere vrouw zijn er behalve dagen dat ik tevreden in de spiegel kijk, ook dagen dat ik zo verschrikkelijk baal van wat ik zie, dat er kleine donderwolkjes boven m’n hoofd vliegen. Sporten? Ja, ooit gaf ik spinningles. Maar een sportschool van binnen bekijken heb ik al jaren niet gedaan. Sinds de laatste zwangerschap kan ik mijn buikspieroefeningen op twee handen tellen. Dus voor de volle 100% zeker ben ik toch ook niet, hoor, over mijn lijf en haar (on)appetijtelijkheid. Ik weet nog dat ik tien jaar geleden trots was op de o zo gladde, rimpelvrije huid van buik, billen en benen. Nu is dat wel anders. Ook ik ontkom niet aan de grillige vervormingen, die ongetwijfeld veel ernstiger lijken in mijn ogen dan in die van jou.

Dus toen ik na een meter of 50 door een best leuke vent van boven tot onder werd opgenomen en hij in het voorbijgaan lachend een goedkeurende joder* uitte, kon ik mijn lach niet onderdrukken. Ik loop dan weliswaar elke dag achter een buggy, maar ik heb het nog steeds! I still got it!

*joder: verdomme. Wordt gebruikt als vloekwoord in vervelende situaties, maar ook als uitroep van bewondering.

Tegeltjes

In de keuken groeit een stapeltje tegels. Er liggen twee dikke stoeptegels, heel eigen van Barcelona. Eentje heeft een soort van bloem en eentje bestaat uit vier vierkante kleinere tegeltjes met in elk vierkant een cirkel gebeitst. En vandaag mocht ik er een prachtige modernistische mozaïek bij leggen.

Ineens zie ik de stoeptegels los liggen op straat en verdwijnen ze in mijn tas. Die van vandaag krijg ik door simpelweg te vragen bij een winkel waar ze bezig zijn met de vloer: ‘Ik zie bij het afval een halve tegel liggen. Hebben jullie niet een hele tegel liggen die ik mee zou mogen nemen?’ Ook na mijn uitleg van het waarom van mijn vraag kijken ze me bevreemd aan. Maar een van de mannen loopt naar achter, pakt een tegel van de grond en houdt hem voor me onder de kraan:
‘Alsjeblieft, hij is nog schoon ook.’

Ik herinner me mijn blijdschap bij het toevallig vinden van de eerste stoeptegel, hét perfecte souvenir uit de stad, speciaal voor mezelf. Zo typisch Barcelona en zo symbolisch voor alle stappen die ik hier letterlijk en figuurlijk gezet heb. Extra blij was ik bij het wederom toevallig vinden van ‘de bloem’. En vanmorgen deed ik wat huppelpasjes toen ik wegliep met het mozaïek in mijn handen. Nu wordt het een sport er zo veel mogelijk te verzamelen in de tijd die nog rest, om er later een of meerdere tafeltjes ofzo van te maken. Barcelona blijft bij me, waar dan ook, dat is zeker.

(R)emigreren

Er zijn van die dagen dat je, zonder dat je het zelf in de gaten hebt, je blik richting de grond richt. Bij elke stap die je zet, kom je verder, zonder te zien wat voor je ligt. Laatst liep ik zo – kin op borst – over een zonovergoten Passeig de Colom, een brede avenue tussen het oude postkantoor en het standbeeld van Columbus. Ik werd niet teleurgesteld: ik zag een muntstuk van 2 euro en er lagen vele goudkleurige, plastic snippers op de grond, als bewijs van het feest van de avond ervoor. Honderdduizenden mensen waren op de been om de FC Barça-spelers toe te juichen, omdat ze de Liga gewonnen hadden.

De snippers herinnerden me aan een ander cupfeestje van Barça, negen of tien jaar geleden. Ik bedacht me hoe te gek het was om me toen te scharen tussen al die uitzinnige clubfans. Eind 20 was ik, en ik woonde nog niet lang in het mooie, bruisende Barcelona. Zo’n voetbalfeest, dat veel verder ging dan voetbal alleen, had ik nog nooit meegemaakt. Ik voelde een (uiteraard misplaatste) trots, want Barça was nu ook van mij. Ik was geëmigreerd en Barcelona en Barça behoorden mij toe.

Emigreren. Ik vond het altijd een woord met een indrukwekkende betekenis. Emigreren, dat was verhuizen naar een ver land, waar het ofwel heel erg koud ofwel heel erg warm was. Een ver land, met een totaal andere taal en cultuur dan de Nederlandse. Naar België bijvoorbeeld emigreer je niet, naar mijn mening. Naar België verhuis je.

Zo bekeek ik ook mijn emigratie: ik verhuisde gewoon naar een andere stad, die toevallig wat verder weg lag dan Maastricht, die toevallig voorbij een aantal landsgrenzen lag die daar ooit door koningen bepaald waren. Als Europa één land was geweest, was ik niet geëmigreerd, simpelweg verhuisd.

Er is niks aan, emigreren. Ik bedoel: easy peasy. Appeltje eitje. Je moet wel een en ander regelen, maar als je dat weet en je daarop instelt, is er niks moeilijks aan. En zeker niet als je jong bent, mogelijkheden te over hebt en niet gauw door heimwee geplaagd wordt. Een nieuw avontuur tegemoet is louter spannend. Hoofd recht, borst naar voren, schouders naar achteren, kin in de lucht – en gáán!

Remigreren daarentegen, dat is een heel ander verhaal.

In de wachtkamer

In de serie Afgeluisterd

Ik doe een sudoku terwijl ik op mijn beurt wacht. Een oudere dame komt uit een van de behandelkamers en gaat tegenover me zitten. Ze kijkt in het rond en begint te praten, hopende in een willekeurig iemand een luisteraar te vinden.
‘Ze deden het hier en hier,’ vertelt ze terwijl ze plekken op haar pols en arm aanwijst, ‘maar hier deed het meer pijn.’ Ze deden een electromiografie. Je krijgt dan een klem om je arm of been en met weer iets anders krijg je elektrische schokjes toegediend. Op een beeldscherm kunnen ze dan zien of je spieren goed reageren op de zenuwprikkels. Ofzo. Ik weet het ook niet precies eigenlijk.

‘Ja,’ zegt de man naast me, ‘ik heb al maanden pijn.’ En hij draait met zijn schouder alsof hij wil laten zien dat het daar zit. De vrouw draait met haar pols. Een andere vrouw doet vast haar armbanden af. Ik word zelf een beetje nerveus; ik hou niet van rare gevoelens in mijn lijf. Een kies laten trekken onder verdoving doet geen pijn, maar prettig voelt het niet. Dat idee.

Een stel van rond de 50 jaar komt de wachtkamer binnen en gaat zitten op de enorm krakende stoelen. Die zitten allemaal aan elkaar vast. Als de man opstaat om naar het toilet te gaan, gaat zij ergens anders zitten. De stoel kraakt hard onder haar billen.
‘O, het kraakt overal!’ zegt ze terwijl ze verontschuldigend in de rondte kijkt. De man naast me haakt in.
‘Ja, maar het kan veel slechter in een wachtkamer. Het zijn mooie stoeltjes.’ En hij draait nog eens met zijn schouder. De vrouw haalt een krant tevoorschijn en mijn buurman becommentarieert de advertentie op de achterpagina.
‘Het is weer lente bij de Corte Inglès.’ Ik voel voor hem. Hij is zo duidelijk op zoek naar een praatje, naar aansluiting, maar het blijft stil. Niemand heeft zin om te praten. In elk geval niet daarover, of met hem.

Ik ook niet, maar als ik even later terug uit de behandelkamer kom en nog even plaatsneem om op wat formulieren te wachten, grijpt de man zijn kans. Hij vraagt me of het geholpen heeft. Als ik hem zeg dat dit geen behandeling is, maar een bezoek om een diagnose te stellen, kijkt hij teleurgesteld en begint hij me van alles uit te leggen. Draaiend met zijn schouder krijg ik alles te horen, over zijn pijn, over wat hij eraan gedaan heeft, en over dat hij toch wel hoopt dat zo’n electrotoestand hem verlichting geeft. Ik herhaal verontschuldigend dat hij toch nog even zal moeten wachten op verlichting en spring opgelucht op als ik mijn naam hoor die omgeroepen wordt. Ik mag naar huis.

‘Beterschap!’ wens ik mijn wachtkamergenoten nog toe voor ik de trap af ren.

Bloterik

Ik zag vandaag een meisje met een lange zwarte jurk en slippers. De jurk zat laag op haar rug. Je zag het zwarte bh-bandje en boven op haar rug een grote tatoeage van een zwaluw.

Daarna zag ik een mevrouw van middelbare leeftijd met een cowboyhoed en een korte broek op de kaart van Barcelona kijken.

Ik zag een blote peuter bij de kassa van de toko. Hij had zelfs geen schoenen aan. Om zijn nek hingen een paar kralenkettingen. Zijn moeder kocht algen en zeewier. De kassajuffrouw vroeg of de jongen het niet koud had. Volgens de moeder was dat niet zo: ‘Wij komen uit Oostenrijk.’

Een meisje begin 20 stond tegenover haar vriendje dat op een bankje in de zon achterover hing. Ze las hem de les met klare taal en klapte met haar vuist in haar hand.

Achter een dubbele kinderwagen liep de oma van de twee baby’s. Ze had een geblondeerd kapsel, droeg een luipaardprint jas en een rugzakje met goudkleurige details.

Ik zag twee mannen die een grote, glazen (planten?)bak in de auto probeerden te duwen. Al het karton en beschermend materiaal lag al op de grond. Met veel woordelijk geweld kregen ze hem er wel ingeschoven, maar de achterkant stak een halve meter uit de achterklep die niet dicht kon. Toen de een suggereerde ergens een busje vandaan te halen, vloekte de ander.

Een meisje stak haar armen in de lucht. Ik weet niet waarom, of wat ze deed. De zon scheen namelijk achter haar en ik werd gegrepen door het zichtbare silhouet van haar bh-loze lichaam onder de doorzichtige, witte trui.

Ik zag op verschillende plekken langs mijn route mannen naar een voorbijlopende vrouw kijken, of specifieker: naar haar borsten of billen. Ik zag ze hun hoofd draaien en haar een tijdje volgen met een goedkeurende of zelfs verlekkerde blik.

Ik zag een mollige dame met een strak shirt op een ‘hippe’ legging. Zou ze geweten hebben dat die legging in de zon doorzichtig is? En dat iedereen haar hoog opgetrokken onderbroek eronder kon zien zitten?

Ik zag twee politieagenten naast hun geparkeerde scooters staan. In plaats van aandacht te hebben voor wat er op straat speelde, gingen ze allebei helemaal op in hun mobiel.

Voor ik hem in de smiezen kreeg, zag ik de blikken die hij trok. Hij hoort al jaren bij het straatbeeld, op de fiets of wandelend, met een linnen tasje om zijn schouders. Waarom hij opvalt? Hij is poedelnaakt. En ja, egaal bruin.

Ik zie, ik zie en ik hou ervan.

Leven mét

Ooit ontmoetten we elkaar digitaal. Ik weet niet meer wat voor dag het was, wat ik had ontbeten, of er muziek aanstond of niet. Van de setting heb ik geen idee meer, ook niet van onze eerste woorden naar elkaar. Het enige wat ik weet, is dat er iets klikte.

Vele malen schreven we, twee vrouwen die elkaar vonden in een groot verlies. Ik schreef ook met anderen, maar niemand raakte me zoals zij. Door de jaren heen hebben we allebei vele denkbeeldige stappen gezet, persoonlijke groei doorgemaakt. Ons een nieuwe levensweg gezocht ná ons verlies, maar ook zeker mét ons verlies.

Twee vrouwen, van verschillende leeftijden en met zeer verschillende achtergronden. We gaven elkaar de ruimte om te huilen en te lachen. Om eerlijk te zijn. Om gevoelens te uiten waar schaamte aan kleefde. Dat mocht, dat kon. Dat was niet raar. Geen van beiden voelden we de behoefte om ergens te blijven ‘hangen’, zoals het oneerbiedig, maar toch ook met een kern van waarheid gezegd kan worden. En dat hebben we naar mijn weten ook nooit gedaan. We zochten ons een nieuwe weg. Een onbekende weg. Waar anderen onze rugzak lang niet altijd niet zagen, en ons zagen lopen met lichte tred, begrepen wij zonder al te veel woorden hoe zwaar of licht die bagage woog op de rug van de ander.

Het ooit zeer intensieve, soms dagelijkse contact, werd langzaamaan minder. Naarmate we leerden accepteren, leerden omgaan, leerden leven met, was de wederzijdse steun niet meer zo nodig. Maar waar het contact met andere lotgenoten verwaterde, verdween het onze nooit. Elk jaar weten we elkaar te vinden. Weet ik: er is iemand die aan ons denkt en me daarin compleet begrijpt. En weet zij: er is iemand die aan óns denkt en me 100 procent steunt.

Op een bijzonder moment in haar leven, mochten wij elkaar in levende lijve ontmoeten. Met de Middellandse Zee aan onze voeten werden cyberknuffels echte knuffels. Zonder verdriet, melancholie of drama. Met veel vertrouwen en genegenheid. Wat ons ooit bond, was verdriet om verlies. Wat ons nog steeds bindt, is een voor elk individueel proces van het omgaan met dat verdriet en dat verlies en het respect dat we daarin voor elkaar hadden en altijd zullen hebben. Ik begrijp haar. Zij begrijpt mij. Wij leven met. Dat is een leven van extremen. En het is goed zo.

Kleurenblind

Barcelona heeft bijzondere kleuren. Dat wist ik al. Als de zomerse avondzon over de daken schijnt en je zit voor het museum van Catalaanse nationale kunst op de Montjuïc, kleurt de stad bijvoorbeeld rood.

Eerder deze week hing er mysterie in de lucht. De stad ging al dagen gebukt onder de regenval, maar tussen de buien door zag het buiten ineens geel. Of groen. Daar kwam ik niet helemaal uit. Het licht kon niet naar boven ontsnappen door de wolken heen en werd tussen de huizen samengedrukt tot een ondefinieerbare kleur. Binnen moest een lamp aan. Door mijn ramen keek ik op de groene toppen van de bomen. Waren die twee maanden geleden nog kaal – of kapot, volgens mijn tweejarige zoon – sinds de zon weer volop schijnt, zijn de bladeren ’s nachts tevoorschijn gekomen en zijn de bomen gegroeid. Zou de lucht de bladeren weerspiegelen? Gefascineerd bleef ik de hele middag kijken. Zodra het regende, leek het lichter te worden en werd de stad haar normale, ‘witte’ zelf. Maar klaarde het op, dan werd ze weer donker en raadselachtig. Het was het vraagstuk van de dag: was het buiten nu groen of geel?

’s Avonds bracht een knappe dame tijdens het avondnieuws het verlossende antwoord: het dikke wolkendek dat boven de Spaanse oostkusten hing, droeg Sahara-zand bij zich, wat maakte dat de stad rood kleurde. Niet geel. Niet groen. Rood.