‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’

Vorig jaar, rond Pasen:

‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’
Hij weet dat zijn moeder eerder een kindje heeft gekregen en dat zij is overleden.
‘Wanneer gaat Sarah weer leven?’ echode ik verbaasd en ietwat van mijn stuk gebracht.
‘Ja, wanneer gaat ze weer leven?’ herhaalde hij weer. ‘Ik wil zo graag met haar spelen.’
Slik. In mijn hoofd speelt op dat moment een zwart-witfilm waarin ik hem samen met een ouder meisje zie stoeien.
‘Lieverd,’ ik pak zijn hand en ga zitten, ‘dat gebeurt niet. Ze is overleden, ze is er niet meer.’
‘Ja, dat weet ik, maar Jezus stond ook weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend.’

Die verdomde christelijke school, was mijn eerste gedachte. Er volgde een gesprek waarin ik hem moest overtuigen dat dood, dood is. Nooit meer levend, alleen in herinneringen en in je hart. Arme, hij had al zijn hoop gevestigd op dat wonderlijke paasverhaal.

‘Komt ze dan nooit meer achter die steen vandaan?’ Tranen, onbegrip, en dagenlang verdriet.

Jezus stond weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend

We zijn ruim een jaar verder en hij weet nu heel goed wat dood is. En het stormt in dat koppie.

‘Mama, ik hoop maar dat je niet doodgaat als ik nog niet weet hoe ik zelf naar oma kan gaan.’ Die praktische zorg kreeg ik laatst compleet uit het niets voor mijn kiezen, terwijl oma ernaast zat. Eerder had hij in de auto al opgemerkt dat we waarschijnlijk niet op de fiets naar oma konden, omdat het toch wel ver rijden was.

En toen deze, eerder deze week, bij het opstaan:

‘Ik vind jou zooo lief. Als je dood bent, ga ik je heel erg missen.’
Daar schrok ik van. Door mijn hoofd schoot dat kinderen van alles kunnen aanvoelen. En mijn onzekerheid daarover leidde tot een wedervraag, in plaats van troost:
‘Maar dat duurt toch nog heel lang?’
‘Ja, als ik volwassen ben, dan ben jij heel oud en dan ga je dood en dat wil ik niet en dan ga ik je heel erg missen. Ik word er verdrietig van.’

De tranen stonden in zijn ogen. Ik probeerde de mijne weg te knipperen. Ik aaide zijn snoetje terwijl ik suste dat we eerst nog heel lang leuke dingen gaan doen samen en dat we heel veel mooie herinneringen gaan maken. Dat hij daar maar aan moet denken en nog niet aan wanneer hij volwassen is en ik heel oud.

De dood, en de dreiging ervan, is best aanwezig de laatste tijd. Om ons heen: nare ziektes. Het overlijden van de oma van een van zijn verre vriendjes heb ik expres maar niet vermeld, het kwam dichterbij dan me lief is. De televisie, het nieuws, de krant: het staat er vol mee – en hij leest! En snel ook. Een nieuwe uitdaging voor mij, want nu kan ik het papieren en onlinenieuws niet zomaar meer laten slingeren. God (!) verhoede dat hij nu al te weten komt dat er depressieve moeders zijn die met hun slapende kind in de arm van een flat springen (in Rusland, eerder deze week). En dat hij daar dan vragen over gaat stellen, of zich zorgen gaat maken als zijn eigen moeder een keer verdrietig is.

Herman Finkers schreef in 2009 dat de dood mens’ trouwste vriend is. Hij schreef en oreerde op theaterpodia wel meer over de dood. Ik heb weinig met het katholicisme, niet in de laatste plaats door het enorme schuldgevoel waar je je hele leven mee rondloopt, maar ik ben gefascineerd door Finkers denkwijze. Die schept rust. Als zijn filosofie, want zo noem ik het gewoon, nou eens vertaald werd naar de belevenis van kinderen en verteld werd op school. Daar zou om te beginnen mijn zoon een blijer, zorgelozer mens van worden.

Advertenties