Pannenkoek

Ze zit alleen aan een tafeltje, met haar rug richting de muur. Kort grijs haar, netjes gekapt. Een mooie zwart-witte blouse op een donkere broek. Een opvallende, grote, rode steen aan een ketting om haar hals.

Rechts van haar twee tafels met gezinnen met jonge kinderen en twee mannen die met bier op de bijpraattoer zijn, links van haar een groepje van drie vriendinnen. Vanuit haar ooghoek kijkt ze terloops naar een jongetje dat met zijn tong uit zijn mond ingespannen binnen de lijntjes probeert te kleuren. Zijn moeder observeert en lacht. Het pannenkoekhuis zit vol gezelligheid – afgezien van vijf Engelstalige meiden die alle vijf bijna onafgebroken op hun smartphone koekeloeren.

Ze leest geen boek, maakt geen sudoku, speelt geen spelletje op haar mobiel, kijkt niet om zich heen. Ze staart wat voor zich uit, tot haar eten wordt geserveerd.

Haar pannenkoek is een feestje. Groot, heel groot, met prachtig rode vruchten en een enorme toef slagroom ernaast. In alle rust giet ze er stroop over, snijdt ze stukken af, eet ze een rode vrucht, lepelt ze het schaaltje slagroom leeg.

Wat maakt dat iemand zich in zijn (haar) eentje op zo’n feestelijke pannenkoek trakteert? Zou ze wat te vieren hebben gehad? Was ze jarig? Of wilde ze gewoon een regenachtige maandag opfleuren, net zoals wij?

Advertenties

Ra-en

In mijn Barcelonajaren – nu lijkt het net of ze decennialang achter me liggen, terwijl het nog maar zo kort geleden is dat ik er vertrok.

Maargoed, in mijn tijd in Barcelona dus, was ik er regelmatig te vinden: op het terras van Ra. Vlak achter de versmarkt Boquería, twee rijen dik, vele tafels in de zon en frivole tropisch-eiland-parasols waaronder locals en toeristen genoten van een driegangenlunch. Je keek uit op de parkeerplaats en altijd was het leuk zitten, zoals dat heet. Voor het zogenaamde ‘mensenkijken’ was Ra dé plek. Marktlui met pasgeslachte varkens, toeristen uit alle windstreken, kromgebogen ouden van dagen die op de markt hun eten kochten, straatartiesten die de wachtenden (op zonnige dagen was er altijd een wachtlijst) graag entertainden, van alles kwam daar voorbij. Vriendelijke bediening: vaak mooie meiden en getatoeëerde jongens, alternatief gekleed. Met vriendinnen uit Barcelona en Nederland en met familie heb ik er heel vaak gezeten, tot de tent verdween omdat het hele plein op de schop ging. Wat overbleef, een avondrestaurant, daar had ik niet veel mee.

Het was onze plek. Altijd als hij op bezoek kwam, hoe we die paar dagen ook doorbrachten, dáár werd een lunch genuttigd. We deden altijd een Raatje. We gingen graag Ra-en. Je snapt ‘m.

Vandaag, 17 december 2013, hebben we opnieuw geRaad. Maar dan bij De Vriend, onze vandaag geïnaugureerde nieuwe Ra. Geen driegangenmenu in de zon, maar wel leuk zitten, vriendelijke bediening en lekkere wijn. Ik heb mijn oog al laten vallen op de tafeltjes buiten, aan het water, die nu al fijne middagen beloven als de zon boven de stad gaat schijnen. En natuurlijk het belangrijkste: het gezelschap. En dat het nu zomaar kan, juist omdat ik nu wat dichterbij ben. Dat is toch ook veel waard. Of misschien wel alles.

De belastingdienst: ze maken het graag moeilijk

Ik wilde een toeslag aanvragen en begreep niet waarom ik volgens de website van de belastingdienst een toeslagpartner heb. Daarom belde ik met de belastingtelefoon. Drama. Ik probeerde de situatie uit te leggen, maar stuitte op een herhalend: ‘Mevrouw, ik ga niet met u in discussie, ik kan de regels niet veranderen.’ Nee, dat snap ik, maar u bent er toch om vragen aan te stellen en om dingen te begrijpen en om te praten en weet ik wat niet meer?

Gefrustreerd liep ik binnen bij de belastingdienst. Zonder afspraak. Maar dat kan niet. En je kunt ook niet ter plekke een afspraak maken. Je moet naar huis en dan telefonisch een afspraak maken.

Vandaag had ik bij de KvK een afspraak met een belastingconsulent die wel erg vaak zei: dat moet ik eerst even opzoeken op internet (dat kan ik zelf ook, maar omdat die informatie vaak niet compleet is zit ik bij u). En bij onze afsluiter over leasen kwam het neer op: ‘Check dat van die bijtelling en privé/zakelijk gebruik maar bij het leasebedrijf, want die hebben dat varkentje vaker gewassen. Ik weet niet hoe dat precies zit.’ De extra uitsmijter, het toeslagverhaal, was echt te veel. Daar wist hij niets van. – Wat hij wel wist? Geen idee. Ik ben er niets wijzer geworden.

Toen belde ik toch maar weer met die verdomde belastingtelefoon waar ik een verdekte grote mond kreeg van een arrogante Dionne van inkomstenbelasting die me wel heel neerbuigend toesprak. Ze zou me doorverbinden. Ik zei: ‘Wijsneus’. Ik hoorde: ‘Ik ben nog aan de lijn’. Ik antwoordde ongeïnteresseerd: ‘Oh, ok’. Waarop ze verbolgen tegen iemand of niemand zei: ‘Ze noemde me een wijsneus.’ Ze legde de hoorn op de haak.

Fietsen in de kerk

Het zonlicht valt door de prachtige glas-in-loodramen. De motieven zijn abstract en sober, gepast binnen de christelijke gereformeerde kerk. In de nok is een bijbel geëtst in de kleurige vensters. Ik kijk in de rondte en omhoog. Ver op de achtergrond klinkt muziek. Het is lang geleden dat ik me zo geïnspireerd voelde. Ik sluit mijn ogen en concentreer me op mijn binnenste. Maar dan wordt de ruimte gevuld door een schreeuwende mannenstem: ‘Kom op, VOLHOUDEN! Geef ALLES wat je kunt! Nog 10, 9, 8…!’ De woorden waren niet naar mij gericht, maar ik ga er toch harder van fietsen.

Vol goede moed en met een behoorlijk uitdagende doelstelling ben ik namelijk voor het eerst sinds jaren weer eens lid geworden van een sportschool. En geloof het of niet, die zit gevestigd in de voormalige Opstandingskerk van de stad. Voor een heuse spirituele ervaring. Ofzo.

Bij de intake een uurtje gele20131029_114913den, stond het huilen me nader dan het lachen. Zo’n meetlint om m’n lijf, een weegschaal die niet alleen gewicht, maar ook vetpercentage meet, de cijfers letterlijk zwart op wit: zo verschrikkelijk confronterend. Om die vervelende trillip te compenseren bleef ik maar grapjes maken tegen Patrick, de jonge, overenthousiaste medewerker die vlijtig al mijn maten aan het opnemen was – ‘Dit is nou niet echt het moment om mijn buik in te houden, hè? Hihihi.’ Lieve hemel, wat gênant.

Inmiddels ben ik wel goed bezig. Ik heb een buikspierkwartier gedaan, een of andere snelle miniworkout van tien oefeningen van 1 minuut per stuk en twee rondes van de trots van de sportschool: fit & fun. Het is een circuit van ik weet niet hoeveel oefeningen, kracht en cardio, elk 35 seconden lang en je moet álles geven, zo hard en zwaar mogelijk zodat je na een kwartier helemaal afgemat druipend van het zweet op de grond ligt. Fit & fun. Mijn god.

Nu een cooling down op de fiets, de ochtend evaluerend in mijn hoofd. Weten dat ik nooit meer terug wil naar dit punt. Vanaf hier moet het beter. En ik denk het onvermijdelijke: ik eet nooit meer gevulde speculaas!* Ik ben best gemotiveerd en wil hard werken, maar als Patrick langskomt en vraagt of ik meedoe met het volgende buikspierkwartier en de aaneensluitende miniworkout, bedank ik vriendelijk. Het is mooi geweest. Met een lege waterfles loop ik met mijn vermoeide lijf de trap af richting de kleedkamer. Het begin is gemaakt. Nu is het een kwestie van geloven in mijzelf en volhouden.

* In de categorie: ‘Ik drink nooit meer!’ ‘Dit was mijn laatste sigaret!’