Keuzes

Vanmiddag liepen we over de markt in de binnenstad. Ik was al bij de Dirk geweest voor de boodschappen, maar die had sommige producten niet. Dus bij de Marokkaanse stand kochten we Libanees brood, twee zakken met elk vijf stuks, voor 1 euro. Ook zat er een granaatappel in mijn linnen schoudertas, en een bakje Turkse rode pepervlokken. Ja, na een uitzending van Masterchef Australia was ik heel wat van plan in de keuken.

We slenterden wat met de meute mee en ik vroeg: ‘Zullen we ergens op een terras wat drinken en een boekje lezen, of zullen we dat thuis doen?’ Terras, was het antwoord. ‘En wil je dan in de zon zitten, of in de schaduw?’ Daar moest-ie even over nadenken; het werd de schaduw. Het waren de twee keuzes van de dag: thuis of terras? Schaduw of zon? We vonden een picknickbank op een terras aan het water. En terwijl hij in de schaduw zijn boek las en ik naar de drukte op de singel keek – sloepen en rondvaartboten deden een heuse botenpuzzeldans – dacht ik aan de keus die ik vandaag dertien jaar geleden moest maken. Die was van een geheel andere orde: de zwangerschap afbreken, of niet.

We hadden net te horen gekregen dat ze verschillende hartafwijkingen had en dat ze hoogstwaarschijnlijk tijdens de zwangerschap en anders wel tijdens of vlak na de geboorte zou komen te overlijden. Ze hadden ons geadviseerd de zwangerschap af te laten breken, maar lieten de keuze aan ons.

Dus daar liepen we. Ontredderd. Verdrietig. Vol ongeloof. Lamgeslagen. Laten we ons ongeboren kind leven en wachten we het onvermijdelijke moment van overlijden af? Of gaan we af op het doktersadvies? Eerst begreep ik niet hoe we die keuze moesten maken. Zag het als totaal onmenselijk. Op een later moment was het ineens klip en klaar: we gingen onnodig lijden uit de weg.

Hoewel we op dat moment achter onze keuze stonden, heb ik er later toch vaak nog aan getwijfeld. En nog steeds. Ja, ik weet het, het heeft geen zin om daarbij stil te staan. Maar toch. Onnodig, schreef ik net. Was het onnodig geweest? En wat nou als… Je ziet het op televisie, leest erover in buitenlandse media: er zijn wonderkindjes, die ondanks alle predicties en veel te jong geboren tóch overleven en gezond opgroeien. Dertien jaar. Ze zou straks dertien jaar worden.

Er is een tijd aangebroken, zoals elk jaar, waarin elke vezel van mijn lichaam zich bewust is van wat er toen is gebeurd. Of ik nou wil of niet, het herbeleven hoort erbij. Het ene jaar wat heftiger dan het ander. Daar kies ik niet voor, dat gebeurt gewoon.

Advertenties

‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’

Vorig jaar, rond Pasen:

‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’
Hij weet dat zijn moeder eerder een kindje heeft gekregen en dat zij is overleden.
‘Wanneer gaat Sarah weer leven?’ echode ik verbaasd en ietwat van mijn stuk gebracht.
‘Ja, wanneer gaat ze weer leven?’ herhaalde hij weer. ‘Ik wil zo graag met haar spelen.’
Slik. In mijn hoofd speelt op dat moment een zwart-witfilm waarin ik hem samen met een ouder meisje zie stoeien.
‘Lieverd,’ ik pak zijn hand en ga zitten, ‘dat gebeurt niet. Ze is overleden, ze is er niet meer.’
‘Ja, dat weet ik, maar Jezus stond ook weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend.’

Die verdomde christelijke school, was mijn eerste gedachte. Er volgde een gesprek waarin ik hem moest overtuigen dat dood, dood is. Nooit meer levend, alleen in herinneringen en in je hart. Arme, hij had al zijn hoop gevestigd op dat wonderlijke paasverhaal.

‘Komt ze dan nooit meer achter die steen vandaan?’ Tranen, onbegrip, en dagenlang verdriet.

Jezus stond weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend

We zijn ruim een jaar verder en hij weet nu heel goed wat dood is. En het stormt in dat koppie.

‘Mama, ik hoop maar dat je niet doodgaat als ik nog niet weet hoe ik zelf naar oma kan gaan.’ Die praktische zorg kreeg ik laatst compleet uit het niets voor mijn kiezen, terwijl oma ernaast zat. Eerder had hij in de auto al opgemerkt dat we waarschijnlijk niet op de fiets naar oma konden, omdat het toch wel ver rijden was.

En toen deze, eerder deze week, bij het opstaan:

‘Ik vind jou zooo lief. Als je dood bent, ga ik je heel erg missen.’
Daar schrok ik van. Door mijn hoofd schoot dat kinderen van alles kunnen aanvoelen. En mijn onzekerheid daarover leidde tot een wedervraag, in plaats van troost:
‘Maar dat duurt toch nog heel lang?’
‘Ja, als ik volwassen ben, dan ben jij heel oud en dan ga je dood en dat wil ik niet en dan ga ik je heel erg missen. Ik word er verdrietig van.’

De tranen stonden in zijn ogen. Ik probeerde de mijne weg te knipperen. Ik aaide zijn snoetje terwijl ik suste dat we eerst nog heel lang leuke dingen gaan doen samen en dat we heel veel mooie herinneringen gaan maken. Dat hij daar maar aan moet denken en nog niet aan wanneer hij volwassen is en ik heel oud.

De dood, en de dreiging ervan, is best aanwezig de laatste tijd. Om ons heen: nare ziektes. Het overlijden van de oma van een van zijn verre vriendjes heb ik expres maar niet vermeld, het kwam dichterbij dan me lief is. De televisie, het nieuws, de krant: het staat er vol mee – en hij leest! En snel ook. Een nieuwe uitdaging voor mij, want nu kan ik het papieren en onlinenieuws niet zomaar meer laten slingeren. God (!) verhoede dat hij nu al te weten komt dat er depressieve moeders zijn die met hun slapende kind in de arm van een flat springen (in Rusland, eerder deze week). En dat hij daar dan vragen over gaat stellen, of zich zorgen gaat maken als zijn eigen moeder een keer verdrietig is.

Herman Finkers schreef in 2009 dat de dood mens’ trouwste vriend is. Hij schreef en oreerde op theaterpodia wel meer over de dood. Ik heb weinig met het katholicisme, niet in de laatste plaats door het enorme schuldgevoel waar je je hele leven mee rondloopt, maar ik ben gefascineerd door Finkers denkwijze. Die schept rust. Als zijn filosofie, want zo noem ik het gewoon, nou eens vertaald werd naar de belevenis van kinderen en verteld werd op school. Daar zou om te beginnen mijn zoon een blijer, zorgelozer mens van worden.

Leven en dood

Op een mooie meidag speelt ze met mijn kleuter in de branding van de nog koude Middellandse Zee. Ze kent hem al vanaf toen hij een paar maanden oud was, was zijn eerste vaste oppas. Ik blijf op afstand, mijn oog achter de lens van mijn spiegelreflexcamera – die ik alleen maar heb gekocht om mooie foto’s van mijn zoon te kunnen maken.

Terug in de chiringuito bestel ik een mojito. Ik roer wat door het glas waar veel te veel ijs in zit en ik kijk naar ze terwijl ik door de twee rietjes drink. Ze lopen naar de handdoek en gaan naast elkaar zitten, niemand om hen heen. Ik zie het perfecte plaatje. Haar opgestoken haar boven een groene bikini. Zijn smalle ruggetje, het donkere haar dat afsteekt tegen de groenblauwe zee voor hen. Ik pak de camera weer vast en ren erheen. Achter hen plof ik op het zand, zonder dat ze me in de gaten hebben. Klik. Focus, klik. Zoom in, uit, focus, klik. Een intiem beeld. Vertrouwd.

Ik ben helemaal in mijn nopjes met de mooie foto en kan niet wachten hem haar te mailen. Maar dan voel ik me schuldig. Bezwaard. Verdrietig. Moet ik haar die foto wel sturen? Ze wil ’m best hebben, in een lijstje op haar nachtkastje, maar dan met een ander kind. Háár kind. Haar Noa.

Maar Noa is dood.

En wat vind ik deze vrouw dapper en liefdevol dat ze dit soort momenten met andermans grut niet uit de weg gaat. Want ondanks dat ze misschien lol maakt, doet het haar ook pijn. Rouwen is nou eenmaal moeilijk. Uitputtend, verwarrend, eenzaam. Wanhopig en frustrerend eenzaam. Ik ‘mag’ dat zeggen, want ik weet dat.

Ik wou dat ik ook wist wat er in de toekomst ligt. Of zij op een dag haar fotoalbum kan vullen met foto’s van haar eigen vlees en bloed. Maar ik weet dat niet. Ik weet alleen dat het leven doorgaat, tegen wil en dank. Met of zonder jou. Zij heeft nu besloten dat ze mee wil blijven doen, hoe pijnlijk en confronterend dat ook is. Dat ze vooruit wil blijven kijken. Nooit eerder zag ik haar zo boos. Zo vastberaden. Zo duidelijk op weg.

In juni van dit jaar is het een jaar geleden dat haar dochter overleed, tien jaar geleden dat de mijne overleed. In de eerste paar jaar van onze vriendschap deelden we anekdotes over mijn zoon, nu stelt ze me vragen over hoe dat eigenlijk met mij ging, tien jaar geleden, hoe ik dat ervoer, hoe ik verder ging, hoe het elk jaar weer is als ‘de datum’ eraan komt, hoe ik die dag doorbreng. Hoe bizar is het dat zij en ik allebei een grafje op een berg in Barcelona hebben? Met niemand anders heb ik ooit eerder op deze specifieke manier over mijn dode kindje kunnen praten.

En ik besef: zij en ik zijn met elkaar verbonden door onze kinderen. Levend en dood.

Papa

Een klamme voorjaarsochtend. We slenteren hand in hand door de nog stille, smalle straatjes van El Born. Ontwijken plassen die de stadsreiniging vanmorgen vroeg heeft achtergelaten. Wapperen met onze handen om de vliegen die uit de rioolputdeksels omhoogkomen weg te jagen. Ik adem bewust zo lang mogelijk uit en ik zeg:
– Lieverd, ik wil je wat vertellen. – Het blijft stil. – Hier in deze straten woont een meneer. En die meneer is jouw papa. Die woont hier in Barcelona.
– Oh? – klinkt er verwonderd uit zijn mond. Maar op dat moment lopen we een hoek om en stuiten we op wegwerkzaamheden. Er staat een graafmachine en mijn zoon (3 jaar en, op de kop af, 7 maanden) wijst en roept: – Kijk mama! Een grrraaf-ma-chine! – Hij raakt compleet afgeleid en ik besluit het onderwerp op een ander moment te herpakken.

Twee dagen later zitten we ’s morgens in een koffiebarretje vlak bij het Picassomuseum. Als de oude baas ons een flesje water en een café con leche, corto de leche heeft voorgezet, haal ik diep adem.
– Zeg schatje, ik wil even met je praten.
– Oké.
– Het is heel belangrijk, dus ik wil graag dat je goed naar me luistert.
– Oké, mama.
– Jij hebt mij wel eens verteld dat F een mama heeft, en nog een mama, en een oma.
– Ja, twee mama’s – hij telt met zijn vingers – en een oma. En B heeft ook een mama en een papa en een broertje. En L heeft een papa en een mama. En een zusje!
– En P?
– Die heeft alleen maar een papa.
– En jij lieverd? Jij woont samen met mama.
– Ja, ik heb alleen een mama. Ik ben met jou.
– Nou, daar wil ik het dus over hebben. Want jij hebt namelijk wél een papa. – Het is drie seconden, niet langer, stil. Dan zegt hij resoluut:
– En die woont in Barcelona. – Ik zit met mijn mond vol tanden en moet dan een lach onderdrukken.
– Zo, jij kunt goed luisteren! Je hebt gelijk, hij woont in Barcelona.

Het blijft even stil. Ik neem een slok van mijn koffie terwijl ik het gezicht van mijn zoon bestudeer en ik bedenk wat ik nu ga zeggen. Hij speelt wat met een suikerzakje, lijkt niet bijzonder onder de indruk van ons gesprek. Ik zet mijn kopje neer.

– Denk je dat je hem een keertje wilt zien? Of wil je dat liever niet? Het hoeft niet.
– Ehm… liever wel. – Ik voel mijn hart kloppen.
– Oké. Dan ga ik dat proberen te regelen. Maar het is belangrijk… – Hij wordt afgeleid door mensen die de bar binnenkomen en naast ons gaan zitten. – Lieverd, kijk eens naar me. Het is belangrijk dat je begrijpt dat hij hier blijft wonen. Hij gaat niet met ons mee. Jouw papa blijft hier, in Barcelona.
– Oké. – Ik probeer iets in zijn gezicht te ontdekken dat zijn rust en zelfverzekerdheid tegenspreekt. Maar ik zie het niet.
– Vind je dat goed, denk je? Dat wij tweetjes dan samen blijven?
– Ehm… ja. Dat vind ik goed. – Hij knikt er overtuigend bij. Ik hou mijn koffiekopje omhoog en hij botst zijn waterflesje ertegenaan. – Proost, mama! – En hij pakt zijn brandweerautootje om hem vol trots te laten zien aan de Amerikaanse toeristen naast ons.

Aan de oppervlakte

Op een vrijdagavond werd ze geboren. En op diezelfde vrijdagavond ging ze dood.

We mochten haar, tegen de belofte in, niet vasthouden. We mochten alleen maar kijken. En na wat in mijn herinnering nog geen minuut was, nam de zuster haar weer mee. De dag erna werd me gezegd dat we meteen maar weer voor een nieuw kindje moesten proberen. Ik moest rekening houden met mijn partner. Ik moest die of die bellen. Ik moest praten. Ik moest door. Ik moest dat, dit, zo veel dingen, ik mocht niet dit, maar wel dat.

Wat ik wilde, was mijn gevoel uiten, het uit mijn lijf schreeuwen, want daarbinnen maakte het veel te veel kapot. Maar met zo veel (be)oordeling om me heen wist ik niet hoe. Of bij wie. Ik besloot te schrijven. Het was zondagmiddag toen ik achter de computer ging zitten.

Wekenlang heb ik zitten tikken. Rechttoe, rechtaan. De inhoud van mijn hart op papier. Sindsdien schrijf ik op de datum van die vrijdagavond, elk jaar weer, altijd met pen op papier, soms ook op de computer. Woorden aan haar, tussen haar en mij. Voor het oog van niemand. Maar als die dag eenmaal voorbij is, is de inkt van mijn pen leeg. Staken de toetsen van mijn bord. Mijn hoofd wordt leeg. Ik denk heel weinig, voel nog minder. Leef aan de oppervlakte. Inspiratie zie ik niet, hoor ik niet, proef ik niet, ruik ik niet, voel ik niet.

Tot op een zekere dag, geen idee wanneer, het witte scherm weer lonkt en de eerste krabbels moeizaam de regels vullen. Heel geleidelijk gaan de gedachten dan weer vloeien en langzaamaan zal de spreekwoordelijke mist in mijn hoofd optrekken.

Lunchen aan zee

Lang geleden dat ik dusdanig licht in mijn hoofd de pen erbij pakte. Eerst een echte, en een stuk papier, daarna de digitale pen. De woorden komen lichtelijk beneveld mijn hoofd uit. De ‘backspace’-knop verdient zijn sporen.

Een keer per jaar, op deze datum welteverstaan, trakteer ik mezelf op een lunch aan zee met cocktail(s) erbij. Naar de prijs kijken doe ik met een half oog. Vandaag kijk ik niet op een paar euro meer of minder. Tot een paar jaar terug vloeiden de cocktails ook rijkelijk. Daarna de taxi in, naar huis en lekker naar bed voor een lange siësta. Misschien wel eentje die tot de volgende dag duurde. Vooral de avond niet beleven.

Nu kan dat niet meer. Nu speelt er een peuter al patí met z’n vriendjes en z’n juf, en die kleine verwacht zijn moeder uiterlijk om 17.00 uur in de deuropening. En liefst normaal. Niet dronken. Dus vandaag houd ik het bij één. Een stevige, dat wel. Na een kleine slok heb ik ‘m teruggestuurd: ‘Sorry, te zoet.’
‘Houdt u van wat stevigers?’
‘Vandaag wel.’

Ik kijk. Of liever gezegd, staar. Ik denk. Wimpel weg. Laat weer komen. Knipper een traantje weg. Schrijf in het langwerpige boekje met gold leaf blocking on leather kaft en magneetsluiting: een samenvatting van mijn gevoelsleven van het afgelopen jaar. Maar ook banale dingen komen aan bod. Waar ik zit. Wat ik eet en drink. Dat ik vanmorgen een lieveheersbeestje op straat zag zitten, met zeven stippen op zijn rug. Dat ik op een bankje op een plein ging zitten om daar gewoon even te zitten, zonder iets te doen, en dat daar een zoetroze bloem tussen de planken lag. Tuurlijk, vandaag wel.

Mijmerend staar ik over zee, terwijl ik met mijn rietje door het achtergebleven ijs roer en de wodka steeds harder voel zitten. Volgend jaar zit ik hier niet meer, bedenk ik me. Volgend jaar en het jaar daarop en wie weet hoeveel jaren nog, krijgt onze dag na acht jaar een andere invulling. Haarlem? Noordwijk aan Zee? Ouddorp? Seaside it must be. Raar idee hoor. Zij hier. Ik daar. Ik ga, zij blijft. Een paar jaar geleden nog had ik dat nooit voor mogelijk gehouden. Dan begon ik al te grienen als ik de stad voor een weekje Nederland verliet. Alsof ik een wezenlijk deel van mij achterliet, een deel dat ik nodig had, zonder kon ik niet. Dat ik dat nu wel kan, voelt goed en raar tegelijk.

Het klokje van mijn telefoon zegt dat het tijd is om te gaan. Het dagboek gaat dicht. Ik gebaar de ober om de rekening. Hij, het deel dat mij nú nodig heeft, en ik hem, is weer aan de beurt. Nog enigszins licht in mijn hoofd en met mijn hand om de letters van haar naam om mijn ketting, slenter ik langs het water richting bus. Vanavond toch weer vroeg naar bed.

Als de dag van gister

Lichtgeraakt. Soort van afwezig. Plotseling verdrietig. Gauw geïrriteerd. Mijn lijf herinnert. Reageert. Waarschuwt.

Weken terug. Een vriendin in verwachting. Haar ziekenhuis het mijne. Vergeten dia’s van beelden van lange gangen. Bebrilde dokters in witte jassen. Een drukkende, zomerse hitte die mijn lijf niet kon verwarmen.

De beelden komen en ik laat ze weer gaan. Zoek wat boeken bij elkaar voor mijn vriendin. Kijk in de kast en bedenk wat ze nodig kan hebben.

De telefoon trilt in de tas in de gang. Whatsapp. Het is niet goed. Het is niet meer.

Haar verdriet. Haar verlies. Hun verlies. Niet van mij. Zo voelt het ook niet. Maar het herinnert. Raakt een zenuw. Gaat naar binnen, daar waar de deur langzaam opengaat, zoals altijd in mei.

Acht jaar geleden was de lucht strakblauw. De lentebries welkom. M’n ouders samen. Een zaal ijskoud. Mijn partner verloren. Een zuster harteloos. Mijn dromen wreed. Haar huid vederzacht. Het leven te moeilijk.

De tijd kan niet anders dan geduldig verder tikken. Toch staat ze af en toe even stil. Kijk ik achterom. Huil. Lach. Droom. Fantaseer. Wat als? Tik. Tik. Tik. Draai je om. Nee, nog even. Loop door. Ja, maar… Rennen! Ik kom.