Keuzes

Vanmiddag liepen we over de markt in de binnenstad. Ik was al bij de Dirk geweest voor de boodschappen, maar die had sommige producten niet. Dus bij de Marokkaanse stand kochten we Libanees brood, twee zakken met elk vijf stuks, voor 1 euro. Ook zat er een granaatappel in mijn linnen schoudertas, en een bakje Turkse rode pepervlokken. Ja, na een uitzending van Masterchef Australia was ik heel wat van plan in de keuken.

We slenterden wat met de meute mee en ik vroeg: ‘Zullen we ergens op een terras wat drinken en een boekje lezen, of zullen we dat thuis doen?’ Terras, was het antwoord. ‘En wil je dan in de zon zitten, of in de schaduw?’ Daar moest-ie even over nadenken; het werd de schaduw. Het waren de twee keuzes van de dag: thuis of terras? Schaduw of zon? We vonden een picknickbank op een terras aan het water. En terwijl hij in de schaduw zijn boek las en ik naar de drukte op de singel keek – sloepen en rondvaartboten deden een heuse botenpuzzeldans – dacht ik aan de keus die ik vandaag dertien jaar geleden moest maken. Die was van een geheel andere orde: de zwangerschap afbreken, of niet.

We hadden net te horen gekregen dat ze verschillende hartafwijkingen had en dat ze hoogstwaarschijnlijk tijdens de zwangerschap en anders wel tijdens of vlak na de geboorte zou komen te overlijden. Ze hadden ons geadviseerd de zwangerschap af te laten breken, maar lieten de keuze aan ons.

Dus daar liepen we. Ontredderd. Verdrietig. Vol ongeloof. Lamgeslagen. Laten we ons ongeboren kind leven en wachten we het onvermijdelijke moment van overlijden af? Of gaan we af op het doktersadvies? Eerst begreep ik niet hoe we die keuze moesten maken. Zag het als totaal onmenselijk. Op een later moment was het ineens klip en klaar: we gingen onnodig lijden uit de weg.

Hoewel we op dat moment achter onze keuze stonden, heb ik er later toch vaak nog aan getwijfeld. En nog steeds. Ja, ik weet het, het heeft geen zin om daarbij stil te staan. Maar toch. Onnodig, schreef ik net. Was het onnodig geweest? En wat nou als… Je ziet het op televisie, leest erover in buitenlandse media: er zijn wonderkindjes, die ondanks alle predicties en veel te jong geboren tóch overleven en gezond opgroeien. Dertien jaar. Ze zou straks dertien jaar worden.

Er is een tijd aangebroken, zoals elk jaar, waarin elke vezel van mijn lichaam zich bewust is van wat er toen is gebeurd. Of ik nou wil of niet, het herbeleven hoort erbij. Het ene jaar wat heftiger dan het ander. Daar kies ik niet voor, dat gebeurt gewoon.

‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’

Vorig jaar, rond Pasen:

‘Mama, wanneer gaat Sarah weer leven?’
Hij weet dat zijn moeder eerder een kindje heeft gekregen en dat zij is overleden.
‘Wanneer gaat Sarah weer leven?’ echode ik verbaasd en ietwat van mijn stuk gebracht.
‘Ja, wanneer gaat ze weer leven?’ herhaalde hij weer. ‘Ik wil zo graag met haar spelen.’
Slik. In mijn hoofd speelt op dat moment een zwart-witfilm waarin ik hem samen met een ouder meisje zie stoeien.
‘Lieverd,’ ik pak zijn hand en ga zitten, ‘dat gebeurt niet. Ze is overleden, ze is er niet meer.’
‘Ja, dat weet ik, maar Jezus stond ook weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend.’

Die verdomde christelijke school, was mijn eerste gedachte. Er volgde een gesprek waarin ik hem moest overtuigen dat dood, dood is. Nooit meer levend, alleen in herinneringen en in je hart. Arme, hij had al zijn hoop gevestigd op dat wonderlijke paasverhaal.

‘Komt ze dan nooit meer achter die steen vandaan?’ Tranen, onbegrip, en dagenlang verdriet.

Jezus stond weer op. Dus als je doodgaat, word je daarna weer levend

We zijn ruim een jaar verder en hij weet nu heel goed wat dood is. En het stormt in dat koppie.

‘Mama, ik hoop maar dat je niet doodgaat als ik nog niet weet hoe ik zelf naar oma kan gaan.’ Die praktische zorg kreeg ik laatst compleet uit het niets voor mijn kiezen, terwijl oma ernaast zat. Eerder had hij in de auto al opgemerkt dat we waarschijnlijk niet op de fiets naar oma konden, omdat het toch wel ver rijden was.

En toen deze, eerder deze week, bij het opstaan:

‘Ik vind jou zooo lief. Als je dood bent, ga ik je heel erg missen.’
Daar schrok ik van. Door mijn hoofd schoot dat kinderen van alles kunnen aanvoelen. En mijn onzekerheid daarover leidde tot een wedervraag, in plaats van troost:
‘Maar dat duurt toch nog heel lang?’
‘Ja, als ik volwassen ben, dan ben jij heel oud en dan ga je dood en dat wil ik niet en dan ga ik je heel erg missen. Ik word er verdrietig van.’

De tranen stonden in zijn ogen. Ik probeerde de mijne weg te knipperen. Ik aaide zijn snoetje terwijl ik suste dat we eerst nog heel lang leuke dingen gaan doen samen en dat we heel veel mooie herinneringen gaan maken. Dat hij daar maar aan moet denken en nog niet aan wanneer hij volwassen is en ik heel oud.

De dood, en de dreiging ervan, is best aanwezig de laatste tijd. Om ons heen: nare ziektes. Het overlijden van de oma van een van zijn verre vriendjes heb ik expres maar niet vermeld, het kwam dichterbij dan me lief is. De televisie, het nieuws, de krant: het staat er vol mee – en hij leest! En snel ook. Een nieuwe uitdaging voor mij, want nu kan ik het papieren en onlinenieuws niet zomaar meer laten slingeren. God (!) verhoede dat hij nu al te weten komt dat er depressieve moeders zijn die met hun slapende kind in de arm van een flat springen (in Rusland, eerder deze week). En dat hij daar dan vragen over gaat stellen, of zich zorgen gaat maken als zijn eigen moeder een keer verdrietig is.

Herman Finkers schreef in 2009 dat de dood mens’ trouwste vriend is. Hij schreef en oreerde op theaterpodia wel meer over de dood. Ik heb weinig met het katholicisme, niet in de laatste plaats door het enorme schuldgevoel waar je je hele leven mee rondloopt, maar ik ben gefascineerd door Finkers denkwijze. Die schept rust. Als zijn filosofie, want zo noem ik het gewoon, nou eens vertaald werd naar de belevenis van kinderen en verteld werd op school. Daar zou om te beginnen mijn zoon een blijer, zorgelozer mens van worden.

Leven en dood

Op een mooie meidag speelt ze met mijn kleuter in de branding van de nog koude Middellandse Zee. Ze kent hem al vanaf toen hij een paar maanden oud was, was zijn eerste vaste oppas. Ik blijf op afstand, mijn oog achter de lens van mijn spiegelreflexcamera – die ik alleen maar heb gekocht om mooie foto’s van mijn zoon te kunnen maken.

Terug in de chiringuito bestel ik een mojito. Ik roer wat door het glas waar veel te veel ijs in zit en ik kijk naar ze terwijl ik door de twee rietjes drink. Ze lopen naar de handdoek en gaan naast elkaar zitten, niemand om hen heen. Ik zie het perfecte plaatje. Haar opgestoken haar boven een groene bikini. Zijn smalle ruggetje, het donkere haar dat afsteekt tegen de groenblauwe zee voor hen. Ik pak de camera weer vast en ren erheen. Achter hen plof ik op het zand, zonder dat ze me in de gaten hebben. Klik. Focus, klik. Zoom in, uit, focus, klik. Een intiem beeld. Vertrouwd.

Ik ben helemaal in mijn nopjes met de mooie foto en kan niet wachten hem haar te mailen. Maar dan voel ik me schuldig. Bezwaard. Verdrietig. Moet ik haar die foto wel sturen? Ze wil ’m best hebben, in een lijstje op haar nachtkastje, maar dan met een ander kind. Háár kind. Haar Noa.

Maar Noa is dood.

En wat vind ik deze vrouw dapper en liefdevol dat ze dit soort momenten met andermans grut niet uit de weg gaat. Want ondanks dat ze misschien lol maakt, doet het haar ook pijn. Rouwen is nou eenmaal moeilijk. Uitputtend, verwarrend, eenzaam. Wanhopig en frustrerend eenzaam. Ik ‘mag’ dat zeggen, want ik weet dat.

Ik wou dat ik ook wist wat er in de toekomst ligt. Of zij op een dag haar fotoalbum kan vullen met foto’s van haar eigen vlees en bloed. Maar ik weet dat niet. Ik weet alleen dat het leven doorgaat, tegen wil en dank. Met of zonder jou. Zij heeft nu besloten dat ze mee wil blijven doen, hoe pijnlijk en confronterend dat ook is. Dat ze vooruit wil blijven kijken. Nooit eerder zag ik haar zo boos. Zo vastberaden. Zo duidelijk op weg.

In juni van dit jaar is het een jaar geleden dat haar dochter overleed, tien jaar geleden dat de mijne overleed. In de eerste paar jaar van onze vriendschap deelden we anekdotes over mijn zoon, nu stelt ze me vragen over hoe dat eigenlijk met mij ging, tien jaar geleden, hoe ik dat ervoer, hoe ik verder ging, hoe het elk jaar weer is als ‘de datum’ eraan komt, hoe ik die dag doorbreng. Hoe bizar is het dat zij en ik allebei een grafje op een berg in Barcelona hebben? Met niemand anders heb ik ooit eerder op deze specifieke manier over mijn dode kindje kunnen praten.

En ik besef: zij en ik zijn met elkaar verbonden door onze kinderen. Levend en dood.

Papa

Een klamme voorjaarsochtend. We slenteren hand in hand door de nog stille, smalle straatjes van El Born. Ontwijken plassen die de stadsreiniging vanmorgen vroeg heeft achtergelaten. Wapperen met onze handen om de vliegen die uit de rioolputdeksels omhoogkomen weg te jagen. Ik adem bewust zo lang mogelijk uit en ik zeg:
– Lieverd, ik wil je wat vertellen. – Het blijft stil. – Hier in deze straten woont een meneer. En die meneer is jouw papa. Die woont hier in Barcelona.
– Oh? – klinkt er verwonderd uit zijn mond. Maar op dat moment lopen we een hoek om en stuiten we op wegwerkzaamheden. Er staat een graafmachine en mijn zoon (3 jaar en, op de kop af, 7 maanden) wijst en roept: – Kijk mama! Een grrraaf-ma-chine! – Hij raakt compleet afgeleid en ik besluit het onderwerp op een ander moment te herpakken.

Twee dagen later zitten we ’s morgens in een koffiebarretje vlak bij het Picassomuseum. Als de oude baas ons een flesje water en een café con leche, corto de leche heeft voorgezet, haal ik diep adem.
– Zeg schatje, ik wil even met je praten.
– Oké.
– Het is heel belangrijk, dus ik wil graag dat je goed naar me luistert.
– Oké, mama.
– Jij hebt mij wel eens verteld dat F een mama heeft, en nog een mama, en een oma.
– Ja, twee mama’s – hij telt met zijn vingers – en een oma. En B heeft ook een mama en een papa en een broertje. En L heeft een papa en een mama. En een zusje!
– En P?
– Die heeft alleen maar een papa.
– En jij lieverd? Jij woont samen met mama.
– Ja, ik heb alleen een mama. Ik ben met jou.
– Nou, daar wil ik het dus over hebben. Want jij hebt namelijk wél een papa. – Het is drie seconden, niet langer, stil. Dan zegt hij resoluut:
– En die woont in Barcelona. – Ik zit met mijn mond vol tanden en moet dan een lach onderdrukken.
– Zo, jij kunt goed luisteren! Je hebt gelijk, hij woont in Barcelona.

Het blijft even stil. Ik neem een slok van mijn koffie terwijl ik het gezicht van mijn zoon bestudeer en ik bedenk wat ik nu ga zeggen. Hij speelt wat met een suikerzakje, lijkt niet bijzonder onder de indruk van ons gesprek. Ik zet mijn kopje neer.

– Denk je dat je hem een keertje wilt zien? Of wil je dat liever niet? Het hoeft niet.
– Ehm… liever wel. – Ik voel mijn hart kloppen.
– Oké. Dan ga ik dat proberen te regelen. Maar het is belangrijk… – Hij wordt afgeleid door mensen die de bar binnenkomen en naast ons gaan zitten. – Lieverd, kijk eens naar me. Het is belangrijk dat je begrijpt dat hij hier blijft wonen. Hij gaat niet met ons mee. Jouw papa blijft hier, in Barcelona.
– Oké. – Ik probeer iets in zijn gezicht te ontdekken dat zijn rust en zelfverzekerdheid tegenspreekt. Maar ik zie het niet.
– Vind je dat goed, denk je? Dat wij tweetjes dan samen blijven?
– Ehm… ja. Dat vind ik goed. – Hij knikt er overtuigend bij. Ik hou mijn koffiekopje omhoog en hij botst zijn waterflesje ertegenaan. – Proost, mama! – En hij pakt zijn brandweerautootje om hem vol trots te laten zien aan de Amerikaanse toeristen naast ons.

Aan de oppervlakte

Op een vrijdagavond werd ze geboren. En op diezelfde vrijdagavond ging ze dood.

We mochten haar, tegen de belofte in, niet vasthouden. We mochten alleen maar kijken. En na wat in mijn herinnering nog geen minuut was, nam de zuster haar weer mee. De dag erna werd me gezegd dat we meteen maar weer voor een nieuw kindje moesten proberen. Ik moest rekening houden met mijn partner. Ik moest die of die bellen. Ik moest praten. Ik moest door. Ik moest dat, dit, zo veel dingen, ik mocht niet dit, maar wel dat.

Wat ik wilde, was mijn gevoel uiten, het uit mijn lijf schreeuwen, want daarbinnen maakte het veel te veel kapot. Maar met zo veel (be)oordeling om me heen wist ik niet hoe. Of bij wie. Ik besloot te schrijven. Het was zondagmiddag toen ik achter de computer ging zitten.

Wekenlang heb ik zitten tikken. Rechttoe, rechtaan. De inhoud van mijn hart op papier. Sindsdien schrijf ik op de datum van die vrijdagavond, elk jaar weer, altijd met pen op papier, soms ook op de computer. Woorden aan haar, tussen haar en mij. Voor het oog van niemand. Maar als die dag eenmaal voorbij is, is de inkt van mijn pen leeg. Staken de toetsen van mijn bord. Mijn hoofd wordt leeg. Ik denk heel weinig, voel nog minder. Leef aan de oppervlakte. Inspiratie zie ik niet, hoor ik niet, proef ik niet, ruik ik niet, voel ik niet.

Tot op een zekere dag, geen idee wanneer, het witte scherm weer lonkt en de eerste krabbels moeizaam de regels vullen. Heel geleidelijk gaan de gedachten dan weer vloeien en langzaamaan zal de spreekwoordelijke mist in mijn hoofd optrekken.

Lunchen aan zee

Lang geleden dat ik dusdanig licht in mijn hoofd de pen erbij pakte. Eerst een echte, en een stuk papier, daarna de digitale pen. De woorden komen lichtelijk beneveld mijn hoofd uit. De ‘backspace’-knop verdient zijn sporen.

Een keer per jaar, op deze datum welteverstaan, trakteer ik mezelf op een lunch aan zee met cocktail(s) erbij. Naar de prijs kijken doe ik met een half oog. Vandaag kijk ik niet op een paar euro meer of minder. Tot een paar jaar terug vloeiden de cocktails ook rijkelijk. Daarna de taxi in, naar huis en lekker naar bed voor een lange siësta. Misschien wel eentje die tot de volgende dag duurde. Vooral de avond niet beleven.

Nu kan dat niet meer. Nu speelt er een peuter al patí met z’n vriendjes en z’n juf, en die kleine verwacht zijn moeder uiterlijk om 17.00 uur in de deuropening. En liefst normaal. Niet dronken. Dus vandaag houd ik het bij één. Een stevige, dat wel. Na een kleine slok heb ik ‘m teruggestuurd: ‘Sorry, te zoet.’
‘Houdt u van wat stevigers?’
‘Vandaag wel.’

Ik kijk. Of liever gezegd, staar. Ik denk. Wimpel weg. Laat weer komen. Knipper een traantje weg. Schrijf in het langwerpige boekje met gold leaf blocking on leather kaft en magneetsluiting: een samenvatting van mijn gevoelsleven van het afgelopen jaar. Maar ook banale dingen komen aan bod. Waar ik zit. Wat ik eet en drink. Dat ik vanmorgen een lieveheersbeestje op straat zag zitten, met zeven stippen op zijn rug. Dat ik op een bankje op een plein ging zitten om daar gewoon even te zitten, zonder iets te doen, en dat daar een zoetroze bloem tussen de planken lag. Tuurlijk, vandaag wel.

Mijmerend staar ik over zee, terwijl ik met mijn rietje door het achtergebleven ijs roer en de wodka steeds harder voel zitten. Volgend jaar zit ik hier niet meer, bedenk ik me. Volgend jaar en het jaar daarop en wie weet hoeveel jaren nog, krijgt onze dag na acht jaar een andere invulling. Haarlem? Noordwijk aan Zee? Ouddorp? Seaside it must be. Raar idee hoor. Zij hier. Ik daar. Ik ga, zij blijft. Een paar jaar geleden nog had ik dat nooit voor mogelijk gehouden. Dan begon ik al te grienen als ik de stad voor een weekje Nederland verliet. Alsof ik een wezenlijk deel van mij achterliet, een deel dat ik nodig had, zonder kon ik niet. Dat ik dat nu wel kan, voelt goed en raar tegelijk.

Het klokje van mijn telefoon zegt dat het tijd is om te gaan. Het dagboek gaat dicht. Ik gebaar de ober om de rekening. Hij, het deel dat mij nú nodig heeft, en ik hem, is weer aan de beurt. Nog enigszins licht in mijn hoofd en met mijn hand om de letters van haar naam om mijn ketting, slenter ik langs het water richting bus. Vanavond toch weer vroeg naar bed.

Als de dag van gister

Lichtgeraakt. Soort van afwezig. Plotseling verdrietig. Gauw geïrriteerd. Mijn lijf herinnert. Reageert. Waarschuwt.

Weken terug. Een vriendin in verwachting. Haar ziekenhuis het mijne. Vergeten dia’s van beelden van lange gangen. Bebrilde dokters in witte jassen. Een drukkende, zomerse hitte die mijn lijf niet kon verwarmen.

De beelden komen en ik laat ze weer gaan. Zoek wat boeken bij elkaar voor mijn vriendin. Kijk in de kast en bedenk wat ze nodig kan hebben.

De telefoon trilt in de tas in de gang. Whatsapp. Het is niet goed. Het is niet meer.

Haar verdriet. Haar verlies. Hun verlies. Niet van mij. Zo voelt het ook niet. Maar het herinnert. Raakt een zenuw. Gaat naar binnen, daar waar de deur langzaam opengaat, zoals altijd in mei.

Acht jaar geleden was de lucht strakblauw. De lentebries welkom. M’n ouders samen. Een zaal ijskoud. Mijn partner verloren. Een zuster harteloos. Mijn dromen wreed. Haar huid vederzacht. Het leven te moeilijk.

De tijd kan niet anders dan geduldig verder tikken. Toch staat ze af en toe even stil. Kijk ik achterom. Huil. Lach. Droom. Fantaseer. Wat als? Tik. Tik. Tik. Draai je om. Nee, nog even. Loop door. Ja, maar… Rennen! Ik kom.

Witte benen

Veel meiden die ik ken, stellen de eerste stranddag uit om één simpele reden: ze schamen zich voor hun witte huid. Die moet eerst gebronsd voor ze zich in bikini dan wel badpak dan wel monokini of misschien wel topless durven vertonen. Maar voor die laatste optie komt er meestal eerst een zonnebankkuurtje aan te pas.

Ik moet daar altijd een beetje om lachen. Eén dag moet de eerste zijn, denk ik dan. Iedereen komt wit de winter uit. Maar ik begrijp het wel, heus.

Gisteren was voor mij de eerste korte-broekdag. ’s Morgens was het nog een beetje fris en kon ik met lange broek de straat op. Maar ’s middags was dat niet meer te doen. Dus daar ging ik, met een T-shirtje, korte broek (net geen Daisy Duke) en een paar stappers eronder, want daarna zouden we een flinke wandeling langs de zee gaan maken. M’n benen, nog even snel glad geschoren, zagen bleekjes tussen de donkere spijkerstof boven mijn dijen en mijn bruine, korte laarzen onder aan m’n kuiten.

Een onzekere tiener ben ik al lang niet meer. Diëten doe ik niet aan. Maar net als bijna elke andere vrouw zijn er behalve dagen dat ik tevreden in de spiegel kijk, ook dagen dat ik zo verschrikkelijk baal van wat ik zie, dat er kleine donderwolkjes boven m’n hoofd vliegen. Sporten? Ja, ooit gaf ik spinningles. Maar een sportschool van binnen bekijken heb ik al jaren niet gedaan. Sinds de laatste zwangerschap kan ik mijn buikspieroefeningen op twee handen tellen. Dus voor de volle 100% zeker ben ik toch ook niet, hoor, over mijn lijf en haar (on)appetijtelijkheid. Ik weet nog dat ik tien jaar geleden trots was op de o zo gladde, rimpelvrije huid van buik, billen en benen. Nu is dat wel anders. Ook ik ontkom niet aan de grillige vervormingen, die ongetwijfeld veel ernstiger lijken in mijn ogen dan in die van jou.

Dus toen ik na een meter of 50 door een best leuke vent van boven tot onder werd opgenomen en hij in het voorbijgaan lachend een goedkeurende joder* uitte, kon ik mijn lach niet onderdrukken. Ik loop dan weliswaar elke dag achter een buggy, maar ik heb het nog steeds! I still got it!

*joder: verdomme. Wordt gebruikt als vloekwoord in vervelende situaties, maar ook als uitroep van bewondering.

Leven mét

Ooit ontmoetten we elkaar digitaal. Ik weet niet meer wat voor dag het was, wat ik had ontbeten, of er muziek aanstond of niet. Van de setting heb ik geen idee meer, ook niet van onze eerste woorden naar elkaar. Het enige wat ik weet, is dat er iets klikte.

Vele malen schreven we, twee vrouwen die elkaar vonden in een groot verlies. Ik schreef ook met anderen, maar niemand raakte me zoals zij. Door de jaren heen hebben we allebei vele denkbeeldige stappen gezet, persoonlijke groei doorgemaakt. Ons een nieuwe levensweg gezocht ná ons verlies, maar ook zeker mét ons verlies.

Twee vrouwen, van verschillende leeftijden en met zeer verschillende achtergronden. We gaven elkaar de ruimte om te huilen en te lachen. Om eerlijk te zijn. Om gevoelens te uiten waar schaamte aan kleefde. Dat mocht, dat kon. Dat was niet raar. Geen van beiden voelden we de behoefte om ergens te blijven ‘hangen’, zoals het oneerbiedig, maar toch ook met een kern van waarheid gezegd kan worden. En dat hebben we naar mijn weten ook nooit gedaan. We zochten ons een nieuwe weg. Een onbekende weg. Waar anderen onze rugzak lang niet altijd niet zagen, en ons zagen lopen met lichte tred, begrepen wij zonder al te veel woorden hoe zwaar of licht die bagage woog op de rug van de ander.

Het ooit zeer intensieve, soms dagelijkse contact, werd langzaamaan minder. Naarmate we leerden accepteren, leerden omgaan, leerden leven met, was de wederzijdse steun niet meer zo nodig. Maar waar het contact met andere lotgenoten verwaterde, verdween het onze nooit. Elk jaar weten we elkaar te vinden. Weet ik: er is iemand die aan ons denkt en me daarin compleet begrijpt. En weet zij: er is iemand die aan óns denkt en me 100 procent steunt.

Op een bijzonder moment in haar leven, mochten wij elkaar in levende lijve ontmoeten. Met de Middellandse Zee aan onze voeten werden cyberknuffels echte knuffels. Zonder verdriet, melancholie of drama. Met veel vertrouwen en genegenheid. Wat ons ooit bond, was verdriet om verlies. Wat ons nog steeds bindt, is een voor elk individueel proces van het omgaan met dat verdriet en dat verlies en het respect dat we daarin voor elkaar hadden en altijd zullen hebben. Ik begrijp haar. Zij begrijpt mij. Wij leven met. Dat is een leven van extremen. En het is goed zo.

Regen

De regen komt vanmiddag met bakken uit de hemel. Dat gebeurt hier niet zo vaak en ik geniet er heel erg van. Zolang ik thuis ben dan.

Vanmorgen had ik veel gedaan en toen ik na een late lunch mijn ogen zwaar voelde worden, besloot ik tot een rustmoment. Met een dekentje over me heen maakte ik het me gemakkelijk op de bank. De deur naar het balkon stond open en het typische geluid van een natte straat vulde het appartement. Ik zette het alarm op mijn telefoon en gunde mezelf bijna een uur slaap…

… Ik schoot omhoog en griste mijn mobiel van de bankleuning. Was het nog zo vroeg of was m’n alarm niet afgegaan? 16.51 uur. NIET!! Ik vloog van de bank, graaide mijn tas van de tafel, en stapte in een regenlaars. Au! Ik trok mijn voet terug, draaide de laars om en er kwamen een poppetje en een draak uitgerold. Zo snel mogelijk trok ik mijn laarzen aan, keek nog of ik een paraplu zag, maar geen tijd om te zoeken! Ondertussen dacht ik aan Carmen, de crèchedirectrice die nu zo ongeveer de laatste ouders en kinderen naar buiten veegde. Ik dacht aan die arme S: zouden ze hem met zijn jas aan op de gang zetten?

Niet geheel ongevaarlijk rende ik de schuin aflopende treden van de trap af en gruwelde bij de gedachte aan alle rode lampjes op de taxi’s die ik zou gaan zien. Maar toen ik de deur openzwaaide, zag ik een groen lampje op 5 meter afstand. Hevig zwaaiend rende ik op hem af. Ik trok de deur open en plofte op de bank: ‘Kun je alsjeblieft heel hard rijden? De crèche gaat dicht, ik ben te laat.’
‘Waar moet ik heen mevrouw?’ En hij reed echt heel hard. In no time stond ik voor de deur. S liep als enige wat rond in de klas, de juf zei dat ze me net wilde bellen. Oh, wat voelde ik me slecht.

En toen moesten we ook nog naar huis. ’s Morgens had ik uit voorzorg zo’n plastic regenhoes voor de buggy bij de crèche achtergelaten. M’n zoon zat droog. Maar al gauw voelde ik een dikke druppel door mijn haren op mijn hoofdhuid belanden en zich een weg naar beneden zoeken. Na een paar minuten zag mijn trui donkerbruin. Mijn (ge)steil(d)e haar hing in krullen om mijn gezicht. Ik blies de regen van m’n neus en voelde zelfs af en toe een druppel onder mijn broek m’n bilnaad inkruipen. Filmscène ten top.

Inmiddels zitten we warm en droog binnen. Buiten is het zeiknat. Ik ben moe en kijk uit naar bedtijd. Ook heb ik me voorgenomen nooit meer een dutje te doen als ik S nog ergens op moet halen.

30

Vandaag neem ik een goed glas wijn. Ik proost op mijn fantastische zoon en op mijzelf. Vandaag is hij namelijk 30 maanden oud, 2,5 jaar. Toen ik 30 jaar werd, vond ik dat heel wat. Nu zijn 30 maanden zijn niet zo veel jaren, het is zelfs niet een ‘rond jaar’, maar toch vind ik dit ook heel wat.

Van baby naar peuter; een klein mensje dat enorm kan schaterlachen, heel verontwaardigd kan kijken, een boze houding – echt of nep – kan aannemen met gekruiste armen en iets getuite lippen, heel verdrietig kan zijn en blij verrast, zeurderig of ronduit vervelend, ongekend verwonderd over iets, en overenthousiast. Een klein mensje dat z’n handjes op mijn wangen legt en zijn lippen keihard op de mijne drukt; soms omdat hij gewoon wil knuffelen en soms om me te manipuleren omdat hij weet dat hij iets gedaan heeft wat niet mag. Een klein, maar écht mens, met alle gevoelens van dien, zonder filter.

En ik dan: van redelijk onbezorgde vrouw naar verantwoordelijke, alleenstaande moeder. Dat is ook een belangrijk proces geweest, en nog steeds. Het draait niet meer om mijn geluk, dat is tijdelijk naar een verre tweede plaats geschoven. Het gaat er in eerste instantie om goede keuzes te maken op allerlei gebied voor een jongetje dat dat zelf nog niet kan. En laat ik eerlijk wezen: zijn geluk is het mijne. Hoe met hem om te gaan, waar grenzen te stellen, welke normen en waarden op welke manier over te brengen. Het zijn maar een paar vraagstukken die heel veel gebieden en details omvatten. Mijn keuzes voor hem zijn bepalend voor wie hij wordt. Dat neem ik niet licht. Het is niet iets wat je van de een op de andere dag leert. Toch moet je het van de een op de andere dag kunnen.

Voelen. Zo doe ik dat. Voelen, observeren, luisteren en handelen naar mijn intuïtie. En dan maar hopen dat ik het goed doe, want het zijn nogal een woelige dertig maanden geweest. Vol geluks- en wanhoopsmomenten. Vol twijfel. Zorg. Vermoeidheid. Trots. Vol blijdschap en ook vol verdriet.

Verdriet over het feit dat ik de enige ben die van hem geniet, zoals eigenlijk twee ouders dat zouden moeten doen. Verdriet voor S, die nu niet beter weet, maar later des te meer. Ik ben verdrietig dat hij, die ondanks dat hij hem kent, steeds weer voor een ander leven kiest. Hij kiest ervoor dit niet mee te maken. Hij kiest ervoor zich te onthouden van elk greintje verantwoordelijkheid. Hij kiest ervoor de liefde, waarvan hij zegt dat hij die wel voelt, voor zich te houden in plaats van te geven aan zijn zoon, die het zo verdient.

Gisteren, op een kinderfeestje in het park, kwam het toevallig ter sprake. Er werd naar de vader van mijn zoon gevraagd en ik vertelde dat hij simpelweg geen vader wil zijn. Voor ik het wist, was ik opgesloten in een warme omhelzing van een pas gescheiden vader van een 2-jarig meisje. ‘You’re a trooper,‘ fluisterde hij.
‘Nee joh, het is gewoon wat het is,’ antwoordde ik. Hij glimlachte, sloot zijn armen nog eens stevig om me heen en herhaalde:
You‘re a trooper and you’re doing great.‘ Ik keek naar mijn zoon die intussen met een volwassen man aan het voetballen was. Hij had zo’n lol. En ik dacht: je hebt gelijk. I am doing great! M’n zoon is een ontzettend lieve en vrolijke jongen (hoe cliché kun je zijn als moeder).

Dat sterkt me in mijn beslissing: na maanden overleg met mezelf, ben ik vandaag degene die kiest. Lang heb ik geprobeerd de deur open te houden, maar dertig maanden zijn genoeg. Mooie woorden zijn gesproken, maar ze blijken keer op keer zo ontzettend leeg. Je weet het leven dat je gegeven is op waarde te schatten, of niet. Ik kies nu voor ons tweetjes, voor m’n zoon en mijzelf, en neem er een lekkere, welverdiende slok op.

I prosy,’ zou mijn moeder zeggen. Op MIJN zoon.

Busmaffia

We lopen een bus in die van achter al vol zit. De twee enkele zitplaatsen helemaal voorin, voor ouderen, mensen slecht ter been, of mensen met kinderen, zijn ook bezet. Er zijn nog andere, grijze stoelen waar vier stickers bij hangen; een persoon met stok, een persoon met twee stokken, een zwangere vrouw, een vrouw met een baby. Ik ga daar wel vaker zitten als er nergens anders plek is, met mijn zoon op schoot. Maar omdat het vandaag druk is, zet ik hem op de extra brede, bijna tweepersoonsstoel en blijf ik ernaast staan. Daar kan straks nog wel iemand bij. Aldus geschiedt. Hij deelt de plek met twee verschillende mensen. Met zijn beentjes over de zijkant geslagen, neemt hij misschien 10 centimeter in beslag.

Dan, vanuit het niets, laat een dame van eind 40, begin 50 mij weten dat mijn zoon daar niet mag zitten. Kan ik geen stickers lezen? Dat is niet voor kinderen. Ik vraag haar vriendelijk wat haar probleem is met dat kleine jongetje en wat ze dan voorstelt dat ik met hem doe. Dat is mijn probleem, klinkt het kortaf, maar hij mag dáár niet zitten. Hij kan wel op de verhoging zitten achter de kaartafstempelaar. Ik zeg haar dat ik dat te gevaarlijk vind. Als de bus een keer bruusk remt – en dat doet ie de hele tijd – of over een bobbel rijdt, vliegt m’n kind zo de bus door. Ze stelt voor dat hij gewoon net als een ieder op zijn twee benen in de bus gaat staan. Ik zeg haar dat ik ook dat te gevaarlijk vind, we doen zelf al ons best rechtop te blijven staan. Ze zegt dan dat ik hem zelf in mijn armen kan nemen, waarop ik haar het plaatje schets van één arm om 15 kilo beweeglijk kind om me met de andere hand vast te kunnen houden. Eén keer op de rem en we liggen beiden op de grond.

Ik ben op dat moment nog redelijk rustig en denk er niet veel van. Ze moet niet zo zeuren, we benemen niemand een plek en bovendien, hallo, het is een 2-jarig jochie.

Maar ze krijgt bijval. En voor ik boe of bah kan zeggen, zijn er vijf mensen, (meerderheid dames!) die vinden dat mijn zoon niet mag zitten op die plek. Zoals het de Spanjaarden betaamt, worden alle meningen zo’n tien keer of zelfs vaker herhaald. Dat is geen grapje, het is doodvermoeiend om naar te luisteren. En dan de inhoud van hun boodschap: ik heb geen respect voor oudere mensen. Ik kan niet lezen. Ik kan geen tekeningen interpreteren. Ik ben uitschot.

Voor mijn ik-wil-dat-mijn-peuter-veilig-in-de-bus-zit-argumenten hebben ze geen oor. Vroeger konden we ons ook redden. En, geloof het of niet: je kind komt zeker op de eerste plaats en de rest kan het bekijken. Ja ja. Een moeder van mijn leeftijd staat aan de andere kant van het gangpad. Haar dochter, een jaar of 8, zit wel achter de kaartafstempelaar, maar die is dan ook wat ouder en heeft haar lichaam onder controle. Ze kijkt me aan en zegt zachtjes iets. Ik versta haar niet en twijfel of ze mijn of hun kant kiest. Ze herhaalt op mijn verzoek haar woorden: ‘Het is het niet waard.’ Ik zucht, ze heeft gelijk. En dat zeg ik haar ook. Waarop iemand die het woord ‘gelijk’ hoort weer begint dat ik geen gelijk heb. En de stortvloed van afkeuring gaat verder.

Terwijl ik continu woordelijk word belaagd door de grijze-stoel-vigilantes, voelt mijn schatje de spanning en huilt en zeurt dat hij eruit wil. Het lukt me niet om hem stil te laten zitten. Ik probeer de afkeurende blikken te ontwijken, me op mijn zoon te focussen, niets te horen van wat er gezegd wordt. Rustig ben ik al lang niet meer. Ik tril en ik voel mijn mondhoeken zenuwachtig trekken.

Te vroeg druk ik op de rode knop die meer dan ooit een noodknop is, een ik-wil-eruiiiit!-knop. Zodra de bus stilstaat, til ik S op en lopen we richting de uitgang. De boze anti-peutermenigte gaat nog geen centimeter opzij. Bijna bij de deur moet ik tot vier keer ‘Pardon!’ roepen, maar ik ben te laat. Niemand wijkt. De deuren sluiten en de bus rijdt verder. ‘Moet je maar eerder opstaan,’ snauwt een van de boosaardige mevrouwen, terwijl ik al die tijd gestaan heb. Trut. Een oudere man vraagt of hij me misschien kan helpen bij het uitstappen bij de volgende halte. Ik voel iets breken in mij en met een kurkdroge mond bedank ik hem vriendelijk. Eenmaal buiten zet ik gauw mijn zonnebril op. Niemand hoeft mijn tranen te zien.

Kater

‘Hai mama,’ klinkt het lieflijke toontje van m’n peuterzoon. Hij leunt over me heen en drukt zijn elleboog in een pijnlijke schouderspier. ‘Hai mama,’ probeert hij weer.
‘Hai schatje,’ antwoordt mijn hese, raspende stem. Ik grijp blind naar mijn telefoon, druk op een knopje en even word ik verblind door het felle licht. Ik knijp geïrriteerd met mijn ogen. Dan zie ik de klok: 6.59 uur. Nee, nee, nee. Dat kan niet. Daar ben ik het niet mee eens. Ik zag dat zijn ogen pas om 0.37 uur dichtvielen, die van mij dus ietsjes later.

Dan laat hij zich over me heen vallen en gaat op de bedrand zitten. Hij knipt het licht aan. ‘Moemogge-ge,’ zegt hij vrolijk. Nou, zo’n goeiemorgen is het niet hoor. Mijn hoofd voelt zwaar. Een doffe steek doet vervelend achter een oog. M’n mond is extreem droog doordat m’n neus al dagen dichtzit. Ah, toe nou, we móéten nog even slapen!
‘Kom je nog even bij mama liggen?’ probeer ik zo verleidelijk mogelijk.

Maar S is onverbiddelijk. De luiken gaan open en geven ruim baan aan het daglicht. De Franse deuren naar de huiskamer gaan open en even later hoor ik het geluid van dvd-doosjes die opengemaakt worden. Ik hoor het geluid van de aan-uitknop van de televisie. Ah, tijd voor Pieter Post. De marathon van gisteravond was nog niet uitputtend genoeg? Mijn gedachten gaan naar mijn arme Franse oppas, die tot middernacht Nederlandstalige kinderdvd’s heeft gekeken.

Ik had me stiekem weer omgedraaid en de deken extra strak over me heen getrokken, maar mijn droge mond vraagt om water. Het enorme glas op het nachtkastje is leeg. Shit. Voeten op de koude vloer. Joggingbroek aan. S kijkt verheugd als hij me vanuit zijn stoel in actie ziet komen. ‘Mama nee tapt,’ glimlacht hij werkelijk zo lief dat ik er blij van word.
‘Nee schatje, mama slaapt niet,’ bevestig ik.

In de keuken zet ik de ketel op het vuur, ga ik op zoek naar een paracetamol en doe ik boterhammen in het broodrooster. Zonder iets te zien, kijk ik wat in het rond, me bewust van mijn lamlendige lijf. Ik zie het wijnglas van de oppas en denk aan onze eigen cocktails. Het was een heerlijke avond, samen met m’n vader in ‘ons’ fonduerestaurant. Veel gelachen, lekker genoten en het ontbrak ons aan niets. Maar ik geloof dat ik het vandaag bij water en paracetamol houd.

Homemade

Wat HAATTE ik handenarbeid op school. Ik vond er werkelijk niks aan. Ik kon het ook niet goed, waarschijnlijk was dat de reden van mijn diepe afkeer van creatief bezig zijn. De afwerking was het altijd nét niet helemaal. Vamos, het zag er niet uit. Tekenen was ook zo’n vak. Wel leuk en geinig, maar ook heel frustrerend, want ik kon (kan) nog geen fatsoenlijke boom tekenen. Ik moet altijd heel hard lachen als een van mijn vriendinnen me wijst op een website waar, ook in mijn ogen, heel leuke creatieve projecten op staan. Gezellige handigheidjes voor in huis, originele kleding of speelgoed voor je kind, zelfgemaakte cadeaus, weet ik het. Heel erg leuk, maar helaas niet aan mij besteed.

Toch heb ik ook een Crea Bea in mij. Ik gooi de Expedit (voor de niet-kenners: Ikea) niet aan de straat als ik ‘m niet meer wil. Nee, ik haal hem uit elkaar en schroef wielen onder een van de lange planken die dan onder mijn bed als opslag dienstdoet. Ik schilder de kleine plankjes met dezelfde latexverf als waar de muur mee beklad is, schroef er van die houders aan, boor gaten in de muur en heb dan heel handige plankjes. Of ik zaag een plank in smalle, korte stukken, schilder die en bevestig ze aan de muur waar ze de functie van kaarsenhouder hebben. Mijn zelfgemaakte – zelfgezaagde, niet vastgelegde – drempel was ooit onderdeel van een boekenkast. Er moeten toch nog heel wat andere voorbeelden te noemen zijn, maar ze komen niet tot me, op dit moment.

Anyway, vandaag had ik weer een crea-moment!

Het eerste wat mijn zoon doet als hij op de crèche de klas inloopt, is autootjes door een buis rollen en daar heel hard om lachen. Dus toen ik vandaag een man een lange buis bij het afval zag neerzetten, wist ik het wel! Ik heb gezaagd, ik heb kijkgaten gesneden en ik heb gewrikt met een schroevendraaier. Ik heb geverfd, gemeten en rondjes getekend waar morgen gaatjes geboord gaan worden. Dat ding gaat aan de muur, scheef uiteraard, anders werkt het niet, er komt een doos onder die de auto’s opvangt en klaar. Een homemade autotunnel!

Tel het aantal uitroeptekens; je ziet hoe enthousiast ik ben. Zal ik dan maar een homemade blog beginnen?

Vader

Op Facebook verschijnen de eerste gelukswensen en foto’s van kindertekeningen: het is Vaderdag in Spanje. Aangezien dit pas het eerste jaar is dat S naar de crèche gaat, wist ik niet goed wat me te wachten stond. Of hij met een (door de juf) zelfgemaakt knutselwerkje thuis zou komen, of een simpele tekening (lees: slordige lijnen willekeurig over het papier gekrast). En dat die dan voor mij was, ‘Voor papa’ voor mama. Maar aangezien hij ziek thuis is, gaat voor het derde jaar op rij de Día del Padre ongemerkt aan ons huis voorbij.

Ik heb daar de laatste tijd wel over nagedacht, hoe ze dat op de crèche zouden aanpakken en of er dan ook uitgelegd zou worden wat Vaderdag is. En of S dat dan zou snappen, of dat ie daar nog wat jong voor is. Maar vanmorgen vertelde iemand me dat Vaderdag al lang niet meer gevierd wordt op school. Blijkbaar zijn er zo veel uiteengevallen en verschillend gestructureerde gezinnen zonder aanwezige vader, dat ze die dag liever niet vieren. Vermijden is misschien beter gezegd.

Ik vermoed dat ik nog zeker een jaar gevrijwaard ben van simpele, doch zwaarbeladen vragen. Maar ooit komen ze: ‘Wat is een vader? Wie is mijn vader? Waar is mijn vader? Waarom is hij daar en niet hier? Waarom? Waarom? Waarom?’

Ai, de ‘daaroms’…

Kleuterschool

Samen met vriendin A ontbijt ik met een scone met ricotta en abrikozenjam en een kop thee, Brussels breakfast (heus). Door de drukke straten van hartje stad loop ik te midden van velen die op weg zijn naar hun werk richting het station. In de trein lees ik vier pagina’s van Margriet de Moors debuutroman. Dan zijn we bij Baixador de Vallvidrera, waar ik eruit moet. De ochtendzon beschijnt de vele traptreden van het bospad omhoog. Hijgend sta ik even later bij de poort. De intercom is stuk. Kinderen rennen door de bomen over het mos. Het is speelkwartier, of liever gezegd speelhalfuur. Als een vader met zijn zoon naar buiten komt, loop ik de poort door richting het oude gebouw.

Binnen moet ik even wachten tot de meneer van de administratie er is. Een meisje komt mopperend voorbijgelopen en ploft neer op een stoel naast me.
‘Ben je boos?’ vraag ik.
‘No,’ klinkt het, boos.
‘Ben je verdrietig?’ Ze begint een heel verhaal waar ik alleen het begin maar van begrijp. ‘Sorry, een beetje langzamer alsjeblieft. Ik ben niet heel goed in Catalaans,’ zeg ik verontschuldigend. Met een mij terechtwijzende zucht begint ze (te) langzaam in het Spaans uit te leggen dat ze haar diadeem is kwijtgeraakt. Dan loopt ze naar boven om aan de juf te vertellen wat er is gebeurd. Ik wandel langs het prikbord met roosters en aankondigingen naar buiten en ga voor de deur op de trap zitten.

Ik kijk naar de kinderen die zich over de enorm uitgestrekte speelplaats verspreid hebben. Groot en klein. Een enkeling alleen, de meesten in groepjes. Meisjes die plannetjes bekokstoven, jongens die voetballen. Peuters die van de glijbaan roetsjen, kleuters in de touwen. Ik probeer me voor te stellen hoe mijn zoon hier straks rondrent, in welke hoek van het bos hij gaat spelen en met wie. Hij zal elke dag met vieze kleren thuiskomen, komt het in me op. Lerare(sse)n staan met een dampende kop koffie of thee in de hand te kletsen terwijl ze met een half oog hun klas in de gaten houden. Ik zie een leraar die er bijzonder aantrekkelijk uitziet. Vriendelijk gezicht, dikke bos donker haar. Die was me tijdens de open dag ook al opgevallen. Focus! Daarvoor ben je hier niet!

Ik kijk naar de ingevulde papieren in het plastic in mijn hand. Een inschrijffomulier met een stapel kopietjes van onze id’s, gezondheidspasjes, familieboekje, inschrijving bij de gemeente, eenoudergezinpas, m’n ‘vreemdelingennummer’. Allemaal nodig om hier een plekje voor m’n zoon te kunnen veroveren. Mijn gedachten dwalen voor de tweede keer in een week tijd af naar mijn eigen kleutertijd, hoe ik dat ervaren heb, wat ik ervan meegekregen heb, hoe ik daar later aan terugdacht. Ineens word ik overvallen door een enorm verantwoordelijkheidsgevoel. Ik kies met deze papieren voor de toekomst van mijn nu-nog-peuter. Hier gaat hij straks het grootste deel van zijn tijd doorbrengen. In dit gebouw. Tussen deze bomen. Met deze kinderen.

Dit is écht een big deal.

Als ik 20 minuten later naar beneden richting het station loop, wijk ik van het pad en zoek ik over de bosgrond, over takken en bladeren door de bomen mijn weg. Het is bijna stil. In de verte, aan de andere kant van het dal, hoor ik een hond blaffen. Zo’n 100 meter verder staat een schoolklas in het bos; hun kinderstemmen klinken vrolijk en vol opwinding over het bijzondere uitje. Ik bemerk een huppeltje in mijn stappen. En ik denk: welke kleuter wil hier nou niet naar school?

Dommetje

‘Het klinkt allemaal wel heel mooi, dat ze die kleuters normen en waarden en een ander soort basis willen bijbrengen. Dat ze leren respect te hebben, empathisch te zijn, leren om te gaan met mensen met handicaps, aan het milieu te denken, noem maar op. Maar wat hebben die kinderen daar nou aan? Ik wil niet dat mijn zoon straks als ‘dommetje’ door het leven gaat,’ aldus vriendin H. ‘Ik heb liever dat hij leert rekenen, lezen en schrijven,’ vult ze aan.

Dat stuit me zó tegen de borst. Natuurlijk begrijp ik wat ze bedoelt te zeggen. Ze is bang dat er straks over haar zoon heen wordt gelopen, figuurlijk dan. Dat hij het moet afleggen tegen kinderen die hun educatie op een grote privéschool hebben genoten en daardoor wellicht genadeloos, ongevoelig en zelfs wreed kunnen optreden. Ze is bang dat die kinderen professioneel aan het langere eind zullen trekken. Alsof kinderen dat leren op een privéschool. Alsof kinderen die naar een klein publiek schooltje in het bos gaan en elke week dezelfde boom en zijn omgeving bestuderen niet wreed kunnen zijn.

Ik vind het zó ongelooflijk en verschrikkelijk dat mooie karaktereigenschappen, goede normen en waarden, gewoon vriendelijk, eerlijk en behulpzaam zijn, moeten wijken uit angst. Angst dat anderen die onvriendelijk, oneerlijk en niet behulpzaam zijn blijkbaar dus de overhand hebben in hun latere leven.

Wat ik beangstigend vind, is dat dit natuurlijk veel verder gaat dan onderwijs alleen. Want H staat uiteraard niet alleen in haar gedachtengangen. Wat wordt er thuis aan de eettafel besproken? En op wat voor manier? Wat voor mensjes worden er tegenwoordig gekweekt? Wat voor een lol valt er over dertig jaar nog te beleven als de meerderheid egoïstisch is en alleen maar aan zijn eigen hachje denkt?

– mijn gedachten gaan in overdrive en gaan alle kanten op; ik kan ze niet ‘even’ gecomprimeerd opschrijven

Weet u, ik ben zelf zo’n ‘dommetje’: ik ben vriendelijk, niks gooi ik op straat of in de bosjes maar alles in de prullenbak, ik ruim zooi van andere mensen op, hou deuren open, scheid plastic, papier en glas, help de buurvrouw met haar vuilnis, doe vrijwilligerswerk, kwets mensen niet opzettelijk in ruzies. Ik kan nog wel duizenden woorden doorgaan – maar zal dat niet doen. Maar ik zal eerlijk toegeven: er is in mijn leven heel wat over mij heen gelopen. Het gebeurt nog steeds een enkele keer. Ik ben niet bijzonder geslaagd op financieel gebied en ik kan geen gebruik of misbruik maken van mensen, wat soms uiterst handig zou zijn. Liegen? Kan ik niet.

Maar doe mij toch maar zo’n ‘dommetje’ als zoon. Iemand om trots op te zijn, vanwege de persoonlijkheid die hij is. Iemand die wellicht op een mooie manier in zijn omgeving – of zelfs op grote schaal – verschil kan uitmaken. De slogan die overal klonk toen ik opgroeide klinkt nu in mijn hoofd: ‘Een betere wereld begint bij jezelf.’ Of was het ‘een beter milieu’? Hoe het ook zij, destijds dacht ik ‘ja ja, het zal wel’. Maar jaren later leert ervaring dat het écht waar is. En ook dat er maar weinig mensen zijn die daarnaar handelen. Geloofde iedereen het maar en leefde iedereen maar naar die paar woorden.

Ik zal mijn dommetje in elk geval bijtijds mijn hard geleerde levenslessen bijbrengen om te zorgen dat hij minder last heeft van zijn ‘dommigheid’ dan ik.

Boswandeling naar school

Vandaag bezocht ik de puertas abiertas (letterlijk: open deuren) van een basisschool (3-12 jaar). Niet direct mijn meest geliefde bezigheid, maar vandaag pakte verrassend uit.

De afgelopen weken moest ik ‘de rondes’ doen, want volgende week moet ik m’n zoon inschrijven voor de kleuterschool en hopen op een plekje bij mijn school naar keuze. Wat ik zag waren betonnen blokken, weinig natuurlijk licht en docenten die me aankeken of ze water zagen branden als ik naar de onderwijsfilosofie van de school vroeg. Tot ik vandaag de trein naar de berg ten westen van de stad nam.

De zon scheen en met mijn winterjas over de arm liep ik hijgend het bospad omhoog. Ik kwam bij een oud, maar mooi wit gebouw, drie verdiepingen, midden in het bos op de berg. Het speelplein is dus bos en daar spelen ze drie keer per dag. Van binnen is het oud, maar reuzegezellig. Werkelijk de hele school, van de gangen tot de ramen en deuren, de eetzaal en alle klassen, hangt vol knutselwerkjes, tekeningen en andere kunstwerken van de kinderen. Het doet chaotisch aan, ik hou ervan.

De docenten zijn jong, de directeur incluis, en iedereen gaat casual gekleed. Er hangt een familiaire sfeer. De oudere kinderen helpen de jongere kinderen met de weg door het bos, met het wakker worden na de siësta, en je ziet dat ze zich daadwerkelijk bekommeren om hun welzijn. Elke week maken ze een boswandeling waarbij ze dezelfde boom en zijn directe omgeving bestuderen en zo écht ervaren en leren hoe de seizoenen invloed uitoefenen. Ze werken er met projecten die ze, na overleg met de kinderen die aangeven waarover ze graag willen leren, op touw zetten.

Vriendje Saul trok zo hard aan m’n haren dat ik er hoofdpijn van kreeg

Samenwerken, delen, empathie, tolerantie, respect voor de andere kinderen, volwassenen, je omgeving en de natuur: het zijn maar een paar van de pijlers waar ze ontzettend veel waarde aan hechten en waarop hun onderwijs gestoeld is. Het is een school voor rijk en arm, Catalanen en buitenlanders.

Ik ben dus superenthousiast!

Mijn basisschool stond niet in een bos, maar ik was er vandaag wel even terug. Ik herinnerde mij het speelplein, het overblijven, het voorlezen op de kleuterschool, het allereerste donkere meisje van de school – Nathalie was haar naam en ze pestte mij met regelmaat – juffrouw Aalsma van de eerste klas, de spreekbeurt over paarden in de derde en over dwergpapegaaien in de vierde – met mijn eigen apagornis roseicollis Kicky als mascotte. De beste van de klas willen zijn, vriendje Saul die op een dag zo hard aan mijn vlechten trok dat ik hoofdpijn had en ik vriendinnetje Saskia vroeg om het voor me uit te maken. Mijn haat jegens carnaval vindt op die school zijn oorsprong en terwijl ik nu schrijf, blijven de beelden over mijn netvlies schuiven.

Anyway, volgende week schrijven we ons in, hopende op een van de twaalf (!!) plekken.
Duimen dus.

Vrij

Look at me
I’m as helpless as a kitten up a tree
And I feel like I’m clinging to a cloud
I can’t understand
I get misty just holding your hand

Het was al even geleden dat ik dit nummer luisterde. Toen het vanmiddag door de luidsprekers in de bioscoopzaal galmde, kwamen de tranen opzetten. Natuurlijk kwam dat ook door de scène die gespeeld werd. Ik zat achter in de relatief kleine zaal. Schuin voor mij zat iemand. Verder vooraan zat iemand. Nog ergens daar in de buurt zat een stelletje. En de man die aan de andere kant van de trap naar beneden zat, was een halfuur eerder al vertrokken. Toen hij de trap af begon te lopen richting de uitgang, keek ik vluchtig zijn kant uit. Zijn doordringende ogen vingen de mijne en lieten me niet los. Even dacht ik: wat bedoelt hij daarmee? Maar ik werd weer naar het scherm getrokken. We keken met zijn weinigen Silver Linings Playbook, de Oscarwinnaar.

Het was lang geleden dat ik in de bioscoop zat. Zoete popcorn, chocola, een beker ‘vieze’ automaatcola, jammie. Schoenen onder de stoel, fleecedekentje over mijn opgevouwen benen. Whatsappje naar vriendin N om haar deelgenoot te maken van dit genotsmoment. Ik vond het jammer toen de film afgelopen was. De aftiteling kon me niet lang genoeg duren.

Zo vaak krijg ik de kans niet om naar de film te gaan. Ze draaien bij de bios om de hoek nooit tijdens crèche-uren en gratis oppas is niet ‘voor de graai’. Maar sinds vorige week heb ik een deal met de moeder van een klasgenootje: zij een middag met de jongens en ik een middag met de jongens.

Om 18.15 uur stond ik vanmiddag een beetje verloren weer buiten. Ik had niet goed nagedacht over de invulling van mijn waardevolle vrije uurtjes. De regen was na twee dagen weggetrokken, ik zag blauwe lucht. Een eindje wandelen? Niet op regenlaarzen. Shoppen? Geen geld. Windowshoppen? Niks aan. Nog een filmpje? Te laat thuis. Werken dan maar? Nee! M’n zoon halen? Geniet nou even! Vriendin A bellen. Geen tijd. Vriendin J bellen. Nam niet op. Ik slenterde naar een pleintje en keek wat om me heen. Voelde me raar. Ik was vrij, joepie! Ik was vrij, en ik wist niet goed wat. Blegh.

Ik ben toch maar naar huis gegaan. Laptop open. Werk erbij. Om 19.30 uur stond ik bij H voor de deur. ‘Ben je er nu al?’ De jongens zaten nog te eten. Vrijdag is het haar beurt om vrij te zijn. ‘En wat ga je doen?’ ‘Naar de film, maar niet de vroege. Ik ben niet voor half negen thuis hoor.’ Volgende keer ga ik ook naar de late film. En misschien moet ik eens een lijst maken met alle dingen die ik zou willen doen. Als ik dat nog weet tenminste, wat ik wil. Maar dat is voor een volgende keer…