Leven en dood

Op een mooie meidag speelt ze met mijn kleuter in de branding van de nog koude Middellandse Zee. Ze kent hem al vanaf toen hij een paar maanden oud was, was zijn eerste vaste oppas. Ik blijf op afstand, mijn oog achter de lens van mijn spiegelreflexcamera – die ik alleen maar heb gekocht om mooie foto’s van mijn zoon te kunnen maken.

Terug in de chiringuito bestel ik een mojito. Ik roer wat door het glas waar veel te veel ijs in zit en ik kijk naar ze terwijl ik door de twee rietjes drink. Ze lopen naar de handdoek en gaan naast elkaar zitten, niemand om hen heen. Ik zie het perfecte plaatje. Haar opgestoken haar boven een groene bikini. Zijn smalle ruggetje, het donkere haar dat afsteekt tegen de groenblauwe zee voor hen. Ik pak de camera weer vast en ren erheen. Achter hen plof ik op het zand, zonder dat ze me in de gaten hebben. Klik. Focus, klik. Zoom in, uit, focus, klik. Een intiem beeld. Vertrouwd.

Ik ben helemaal in mijn nopjes met de mooie foto en kan niet wachten hem haar te mailen. Maar dan voel ik me schuldig. Bezwaard. Verdrietig. Moet ik haar die foto wel sturen? Ze wil ’m best hebben, in een lijstje op haar nachtkastje, maar dan met een ander kind. Háár kind. Haar Noa.

Maar Noa is dood.

En wat vind ik deze vrouw dapper en liefdevol dat ze dit soort momenten met andermans grut niet uit de weg gaat. Want ondanks dat ze misschien lol maakt, doet het haar ook pijn. Rouwen is nou eenmaal moeilijk. Uitputtend, verwarrend, eenzaam. Wanhopig en frustrerend eenzaam. Ik ‘mag’ dat zeggen, want ik weet dat.

Ik wou dat ik ook wist wat er in de toekomst ligt. Of zij op een dag haar fotoalbum kan vullen met foto’s van haar eigen vlees en bloed. Maar ik weet dat niet. Ik weet alleen dat het leven doorgaat, tegen wil en dank. Met of zonder jou. Zij heeft nu besloten dat ze mee wil blijven doen, hoe pijnlijk en confronterend dat ook is. Dat ze vooruit wil blijven kijken. Nooit eerder zag ik haar zo boos. Zo vastberaden. Zo duidelijk op weg.

In juni van dit jaar is het een jaar geleden dat haar dochter overleed, tien jaar geleden dat de mijne overleed. In de eerste paar jaar van onze vriendschap deelden we anekdotes over mijn zoon, nu stelt ze me vragen over hoe dat eigenlijk met mij ging, tien jaar geleden, hoe ik dat ervoer, hoe ik verder ging, hoe het elk jaar weer is als ‘de datum’ eraan komt, hoe ik die dag doorbreng. Hoe bizar is het dat zij en ik allebei een grafje op een berg in Barcelona hebben? Met niemand anders heb ik ooit eerder op deze specifieke manier over mijn dode kindje kunnen praten.

En ik besef: zij en ik zijn met elkaar verbonden door onze kinderen. Levend en dood.

Wakker

Ik leg het boek weg en reik naar de lichtschakelaar. Ik bedenk me, draai me om en kijk nog even naar mijn schatje, die daar zo vredig slapend naast me ligt. Als hij slaapt, lijkt hij zo groot. Ik kan me niet voorstellen dat hij nog maar drie jaar geleden een klein baby’tje was. Wat zijn z’n wimpers toch lang. Ik kus zijn wangetje, doe het licht uit en ga lekker liggen, hopende dat ik nu eens in slaap kan vallen.

Wat een heerlijkheid te weten dat mijn grootste rijkdom zo dicht bij me ligt. Onwillekeurig gaan mijn gedachten van ons fijne samenzijn naar de door het zenuwgas getroffen families. Naar de foto’s van de dode peuters. De weerzin die ik daarbij voel, mijn maag die omdraait. Dood. En ik denk aan dood. Ooit ga ik dood. Ik hoop nog heel lang niet. Hij heeft me nodig. Maar de dood komt steeds dichterbij. Vroeger was ik derde op rij: eerst opa en oma, dan hun kinderen en dan hun kinderen (waaronder ik). Nu opa en oma er niet meer zijn, ben ik tweede op rij.

En ik denk aan het (ooit) overlijden van mijn ouders. Beelden op mijn netvlies die ik liever niet zie. Ik denk eraan dat ik dan in elk geval dichtbij ben, in Nederland. Ik denk aan mijn zoon, die dan geen opa en oma meer heeft. Ja, nog een stel grootouders dat niet weet dat hij bestaat. Zou hij er ooit naar op zoek gaan? Hoe zou dat zijn, om hen te ontmoeten? Scenario’s vliegen door mijn gedachten. Wij daarheen. Zij naar Nederland. Of misschien willen ze wel niet.

En ik denk aan zijn vader. Aan de keren dat ze elkaar gezien hebben. Aan hoe wij elkaar ooit ontmoet hebben. Aan hoe ik in die bar terecht was gekomen, werkend als serveerster. Hij kwam elke dag koffiedrinken met z’n collega’s en bleef dan hangen voor een praatje. Ik denk aan andere klanten en collega’s die ik daar heb leren kennen. Er was een vaste klant die gedichten schreef. Op een dag gaf hij me een map met daarin al zijn gedichten gekopieerd. Die ligt in de verhuisdoos met spullen die niet in de opslag gaan.

Hoeveel dozen zou ik nog moeten kopen? Een stuk of tien? Ik moet nog naar Ikea daarvoor. Morgen? Overmorgen? Of zal ik het nog even uitstellen? Misschien eerst maar even mijn werk afmaken deze week. Ik kan nu toch niet meer inpakken dan ik al gedaan heb.

Morgen komt E oppassen. Wat zal ik gaan doen? Filmpje? Of met een boek op Plaza Reial? Ik denk het laatste. In het filmhuis draaien geen films die ik nog wil zien. Die voor mij de moeite waard zijn heb ik al gezien. Now you see me. Heel vermakelijk. Oh ja, morgen even de titel van die andere opzoeken en dan kijken of ik een script en de soundtrack van Ennio Morricone kan vinden. Mooie dialogen zaten erin. Ja, nu weet ik het weer, The best offer.

Ik luister lang niet zo vaak muziek meer als ik zou willen. Misschien dat ik daar, eenmaal in Nederland, weer verandering in kan brengen. Wat staat me daar nog meer te wachten? Ik denk aan de crèche, en dat ik mijn zoon via Facebook vooraf ga voorstellen. Ik zie mezelf fietsen, door weer en wind. Getsie. Ik hoef geen 30 graden en ik ben gek op een goeie regenbui, maar niet dat constante. Toch zal ik eraan gaan moeten wennen.

Ook een goeie voor op de lijst: een regenpak kopen. Of dragen mensen tegenwoordig poncho’s? Op beelden van het Prinsengrachtconcert zag ik ook heel het publiek in poncho’s. Vroeger droeg ik zo’n ouderwets blauw regenpak. Jas en broek. Wat had ik daar een hekel aan. ’s Morgens een halfuur of drie kwartier fietsen naar school, door de regen en kou en dan ’s middags weer terug. En altijd tegenwind. En niet te vergeten: die chemische, verstikkende lucht op de brug naar Dordt, afhankelijk van de wind. Laatst rook ik diezelfde lucht in Barcelona. Ik was meteen weer terug op de brug.

Van de brug in Dordt weer terug naar Leiden – naar fietsen in Leiden en omgeving – naar parken ontdekken – misschien een zwembad? – naar het zwembad in Barcelona, wat jammer dat ik dat het afgelopen jaar niet gedaan heb met die vriendin en haar zoon – naar onze playdate vorige week met een andere vriendin en haar dochter en de lol die we hadden in hun zwembad – naar dat zij misschien ook Barcelona uit gaan – naar zal ik hen informeren over de inschrijftoestand van de geboorteakte in Den Haag? – naar de to-do-lijst van papieren en verzekeringen en gas, water en licht – naar de huuropzegging – naar de dag van verhuizing – naar hoe ik dat het beste kan regelen – naar de laatste avond – met wie, hoe, waar – naar het afscheid – terug naar mijn zoons verjaardag – hoe, waar…

Scenario’s, beelden, gedachten, overpeinzingen, herinneringen: mijn hoofd is vol en druk en het gaat van de hak op de tak. Slapen lukt niet meer. Behalve ’s morgens natuurlijk, als ik er eigenlijk uit wil.