Pannenkoek

Ze zit alleen aan een tafeltje, met haar rug richting de muur. Kort grijs haar, netjes gekapt. Een mooie zwart-witte blouse op een donkere broek. Een opvallende, grote, rode steen aan een ketting om haar hals.

Rechts van haar twee tafels met gezinnen met jonge kinderen en twee mannen die met bier op de bijpraattoer zijn, links van haar een groepje van drie vriendinnen. Vanuit haar ooghoek kijkt ze terloops naar een jongetje dat met zijn tong uit zijn mond ingespannen binnen de lijntjes probeert te kleuren. Zijn moeder observeert en lacht. Het pannenkoekhuis zit vol gezelligheid – afgezien van vijf Engelstalige meiden die alle vijf bijna onafgebroken op hun smartphone koekeloeren.

Ze leest geen boek, maakt geen sudoku, speelt geen spelletje op haar mobiel, kijkt niet om zich heen. Ze staart wat voor zich uit, tot haar eten wordt geserveerd.

Haar pannenkoek is een feestje. Groot, heel groot, met prachtig rode vruchten en een enorme toef slagroom ernaast. In alle rust giet ze er stroop over, snijdt ze stukken af, eet ze een rode vrucht, lepelt ze het schaaltje slagroom leeg.

Wat maakt dat iemand zich in zijn (haar) eentje op zo’n feestelijke pannenkoek trakteert? Zou ze wat te vieren hebben gehad? Was ze jarig? Of wilde ze gewoon een regenachtige maandag opfleuren, net zoals wij?