Nooit meer

‘Laten we zo afrekenen. C wacht op me op het plein. Zullen we erheen lopen? Dan nemen we daar afscheid en zien we elkaar nooit meer terug.’

Boem. Dat staat heel dramatisch, zo zwart op wit, maar dramatisch kwam de onbehouwen mededeling niet haar mond uit. Ze lachte haar parelwitte tanden bloot. Ik stond even versteld en met mijn mond vol tanden van de figuurlijke tik op mijn wang die ze had uitgedeeld. Toch moest ik ook lachen.

‘Ja, luister, we kunnen elkaar wel beloven dat we berichtjes gaan sturen, maar dat doen we nu ook zelden. En wanneer komen wij elkaar nou tegen? Ik ben misschien wat bot, maar laten we daar gewoon eerlijk in zijn. We zien elkaar na vandaag waarschijnlijk nooit meer en als dat wel zo is, is dat alleen maar hartstikke leuk!’

Haar directheid stuit bij mij soms op weerstand, maar niet op dat moment. Ik moest haar lachend in alles wat ze zei gelijk geven. Ik had er alleen tot op dat moment niet bij stilgestaan dat onze afspraak ook een afscheid zou zijn. En om daar zo kort door de bocht mee geconfronteerd te worden, tja, dat zou al helemaal nooit in me opgekomen zijn.

Even later stonden we daar dan, midden op een groot plein, overwoekerd met strandgangers, fietsers, skaters en wandelaars.
‘Het allerbeste meid.’
‘Jij ook. Het ga je goed.’
‘Veel geluk.’
‘Jij ook. En ook veel succes.’
‘En we zien elkaar op Facebook.’ Hahaha, dat dan weer wel.

S (m’n peuter) rende haar nog achterna, voor een extra knuffel en tientallen handkussen.

Het is begonnen: de afscheidsronde. De kop is eraf. Een onverwachte, vrij botte, maar ook vooral vrolijke kop.

Mobiele eenheid

Een groep studenten schuift wat tafeltjes bij elkaar op een terras op het drukke plein. De hoge palmbomen benemen deels het zicht op de warme lentezon. Een paar van de meisjes is zomers gekleed, een van de jongens draagt een T-shirt. Een paar anderen wanen zich nog in de winter en gaan met hun jas aan zitten. De ober komt er direct aan om hun bestelling op te nemen. Een voor een kijken ze op van hun telefoon om een drankje door te geven. Sommigen nemen die moeite niet en blijven driftig sliden en typen terwijl ze verstrooid om una cerveza vragen.

Een enkeling kijkt eerst nog wat om zich heen, maar binnen no time zit de hele groep met de mobiel in de hand. Soms worden er wat woorden gewisseld, soms wordt een beeldscherm onder de neus van de buurman of -vrouw gedrukt. Ze hebben het er maar druk mee, met Facebook, durf ik te wedden. En Twitter. En Pinterest. En Instagram. En e-mail. Dat is natuurlijk ook heel belangrijk.

Ze gaan zo op in hun digitale wereld, dat ze niet zien hoe het hondje van een buurtbewoner een drol draait op het midden van het plein. Zij, het baasje, is een jaar of 58. Haar haren knalrood geverfd. Ze draagt een knalroze – zo’n neonkleur – shirt. Aan haar mollige benen plakt een legging met luipaardprint. Het is een tragikomisch gezicht.

De groep studenten ziet niet hoe een groepje duiven op zoek is naar eetbare kruimels. Tussen de grijze ‘ratten met vleugels’ trippelen felgroene papegaaien. Als een peuter op ze af komt rennen, vliegen ze bijna allemaal op. Twee dappere – of vooral hongerige – gevleugelden hupsen zenuwachtig opzij, kijken schichtig om zich heen, maar blijven ondertussen de pikbeweging richting de grond maken.

Een stel van middelbare leeftijd, overduidelijk toeristen, zit aan de andere kant van het terras. Beiden, ook de man, kijken vertederd naar een baby’tje in de armen zijn moeder. Ze ziet er goed uit, zonder wallen onder haar ogen.

Er stijgt gelach op uit de mobiele eenheid. Het lijkt erop dat tussen een paar meiden een geanimeerd gesprek begint. Of toch niet? Nee, het was iets grappigs, verstopt in een telefoon. De vingers tikken en sliden verder. Heel sociaal, die media.