Wakker

De klok wijst iets na middernacht aan. Haar ogen zijn waterig van vermoeidheid. Weg bij dat scherm. Het bed lonkt. De koele deken kalmeert haar lijf dat nog in werkmodus is. Slapen, of een documentaire kijken? De nieuwsgierigheid wint. Rond een uur of één vallen haar ogen dicht, het programma nog niet op de helft.

Onrustige dromen, een te warme deken. Ze wordt vervelend wakker. Jeuk. Ze knipt de lamp naast haar bed aan. Muggenbulten. Ze telt er vijf op haar pols en bovenarm. Haar telefoon laat zien dat het iets na 4.00 uur is. Een paar minuten blijft ze om zich heen kijken, maar de mug laat zich niet zien. Ze doet de lamp uit en vlijt zich op haar kussen, wapperend met de deken om wat koelte te creëren.

Nog geen minuut later klinkt het bekende gezoem bij haar oor. Ze vliegt overeind, zoekt naar de lichtschakelaar die ze in haar slaap aan en uit kan doen, maar nu niet kan vinden. Knip. Ze kijkt om zich heen, op de muur, langs het bed. Wappert langs de kast, langs het rijtje boeken naast het bed. Niks. Ze doet het grote licht aan, wacht nog een tijdje. Haar oog valt op stof in de hoek. Het is weer tijd om te stofzuigen. Dan ineens vliegt de mug voorbij, zo langs haar benen. Ze slaat in haar handen, maar mist.

Met het grote licht uit, maar het kleine aan, gaat ze maar weer liggen. Wachten en willen slapen blijkt geen goede combinatie. Gedachtes komen, maar gaan niet weg. Een maalstroom begint. Toch al het licht maar uit. Ze verstopt zich onder de deken. Maar net als ze zich langzaam voelt ontspannen klinkt er geknor vanuit haar maag. Shit. Honger. Ze draait zich weer om, probeert lekker te liggen, de gedachtes weg te drukken en de honger te vergeten. Tevergeefs.

Om 5.30 uur trekt ze haar veel te warme wintersloffen aan waarmee ze toepasselijk sloft naar de keuken. Een ketel water op het vuur, boterhammen in het broodrooster. Ze sloft naar de eettafel, die meer dienstdoet als werktafel, en zet de laptop aan. Ze leest de Facebookberichten van J en B, over de aardbevingen die ze op dit moment in Japan meemaken.

Dan ineens zien haar ogen iets bewegen, vanuit haar rechterooghoek tot boven haar toetsenbord. Haar handen klappen ineen en de mug valt dood op de letter A. Even kijkt ze naar het dode insectenlijf. Ze beseft dat de boosdoener haar niet meer kan lastigvallen. En haar eerder rammelende maag is nu gevuld.

Maar in plaats van terug te lopen naar de slaapkamer, opent ze een nieuw tabblad, neemt een slok thee en typt: Wakker.

Honger

Ik geloof niet dat ik de laatste jaren ooit over straat ben gegaan zónder dat ik een dakloze of bedelaar heb gezien. Serieus, er zijn er écht een heleboel. Sommigen zitten op de grond met een plastic bekertje en een kartonnetje waarop staat dat ze geen werk hebben en voor drie kinderen moeten zorgen. Sommigen zitten met een blik bier op een bankje op de Gran Vía. Anderen lopen voetje voor voetje – er is geen haast – met hun hele hebben en houden in drie grote, plastic boodschappentassen. Regelmatig zie ik een keurige, oude meneer door de prullenbakken voor mijn deur ritselen. Soms pakt hij er een halfopgegeten stokbroodje uit.

Soms koop ik iets extra’s bij de supermarkt en dan geef ik dat aan de meneer of mevrouw die daar in de buurt op de grond zit. Soms, als ik de leftovers van de dag eerder tóch niet wil, of ik baal van dat pak koekjes dat ik gekocht heb, dan laat ik dat bij een zwerver achter die de nacht in het voorportaal van de bank doorbrengt. Soms, zoals gisteravond, ga ik met een versgekookte hap de straat op, op zoek naar iemand met honger.

Ik had lekker gekookt, hutspot met wortel en gehakt. Ik kook niet zo vaak – mijn zoon eet warm op school – en voelde me er goed bij. Maar S weigerde te eten. Ik was er best een beetje boos over. Normaal gesproken laat ik het voorbijgaan en maak ik hem gereed voor bed. Maar gisteravond heb ik hem zijn schoenen en jas weer aangetrokken en hem meegenomen de straat op. Hij mocht de lepel vasthouden, ik het warme tupperware bakje. In de lift naar beneden tilde ik het deksel eraf: ‘Zie je dat? Jij wil het niet, maar dan heeft iemand anders te eten.’

Ik dacht zo een dakloze gevonden te hebben, maar het tegendeel was waar. Na een kwartier begon S te roepen dat hij wilde eten, maar ik hield vol: ‘Jij wilde niet, dit is voor iemand die het wél wil.’ We stonden al bijna voor de voordeur en ik was klaar om op te geven, toen ik een Aziatische man met een ongeschoren baard en viezige kleren op een fiets mijn kant uit zag komen. Er hing een karretje met zooi achter zijn fiets. Hij ging richting de vuilniscontainer voor mijn huis, duidelijk van plan die te doorzoeken op zoek naar spullen die hij weer ergens anders, bij de staalhandel ofzo, kon verkopen. We liepen op hem af en ik vroeg hem of ik hem een maaltijd aan mocht bieden, of hij al gegeten had. Hij keek vriendelijk, maar weigerde twijfelend. Ik zei hem dat ik al 20 minuten over straat liep, op zoek naar iemand die graag iets te eten wilde. Ik zei hem dat het vers was, net gekookt, met vlees en groente. Toen strekte hij zijn handen uit en zei dat hij het toch wel wilde. Hij nam de lepel van mijn zoon aan.

S en ik liepen naar binnen. Hij begon te zeuren dat hij wilde eten en bleef achterom kijken naar de meneer aan wie we net zijn prakje gegeven hadden. Boven warmde ik een nieuw prakje op, want ik had heus wel iets overgehouden. Ik zette het voor zijn neus, maar met een vies gezicht werd het prompt weer weggeschoven.

Nou, dan niet. Dan heeft iemand anders weer te eten.