Verhuisdag

Het is 8.22 uur. Ik zit op de rand van het bed, mijn zoontje slaapt nog. Ik heb slecht geslapen, zoals de hele week en net onder de douche het verhuisscenario van vandaag een paar keer doordacht.

Vorige week maandag stond de verhuiswagen in Barcelona voor de deur. Tien jaar, tien kuub. Meubels bleven ‘thuis’. We hebben flink gesjouwd, vriend A, oppas R en ik. Bij het dichtgooien van de laadklep kwamen de tranen. Twee nachten in een hotelbed, ‘dramatische’ afscheidsscènes, een lange treinreis terug en toen mocht ik de verhuiswagen lossen. Alles in de opslag. En met mijn reiskoffertje naast ons logeerbed en de onwerkelijkheid van grijze luchten en een koud buiten, was mijn hart ervan overtuigd dat we deze week weer richting Barcelona zouden gaan.

Gisteravond hebben we echter meer dan de helft van alle dozen en spullen weer overgeladen in een verhuisbus. Die Fiat staat nu geduldig voor de deur te wachten tot ik hem naar ons eindadres rijd. Daar laden we over een uurtje of drie alles weer uit. Drie trappen op en een andere logeerkamer in, die ons zo gul en warm voor onbepaalde tijd is beloofd.

Later op de dag zet ik mijn bed in elkaar en een commodekast. Pak ik de koffers uit en leg ik onze kleren in de inbouwkast waar iemand heel attent een aantal planken in heeft gemaakt. Zet ik onze tandenborstels bij de wasbak. Probeer ik een plekje te vinden voor mijn werkstoel. Sla ik mijn handen voor de mond bij het zien van al het speelgoed dat een plekje moet krijgen. Straks is het einde reis. Straks zijn we ‘thuis’.

Advertenties

Thuis

Toen ik rond 10 januari 2004 voor het eerst op de trappen voor het museum van nationale kunst van Catalonië zat en uitkeek over de stad die zich tot de bergen en verder voor mij uitstrekte, dacht ik: hier kan ik niet weg. Er viel zo veel te zien, zo veel te ontdekken en te beleven; daar was mijn leven tot dan toe niets bij. In Barcelona voelde ik me thuis op een manier die ik eerder nooit gevoeld had.

Op het moment van schrijven ligt mijn geliefde, Catalaanse stad op 1511 kilometer afstand. Ik breng de dagen door op m’n tweedehands fiets, waarmee ik langs de grachten van een mooie, historische dorpsstad in de Hollandse polder rijd. Ik doe mijn best sfeer te snuiven, schrijf schijnbaar leuke winkel-, koffie- en eetadresjes in een boekje en doe meer dan één poging me voor te stellen hoe het leven hier is. Ik probeer te beseffen dat ik hier straks woon.

Maar in de speeltuin ben ik dolblij als ik een moeder Spaans met haar kinderen hoor praten en vraag haar direct waar ze vandaan komt. De Madrileense vertelt dat ze met twee stellen op vakantie zijn. Dat is nou jammer. De volgende die mijn aandacht trekt, is een Italiaanssprekende vader en kort daarop komt een Amerikaanse vader met zijn kroost bij de wip staan. Ik ben onbewust op zoek naar de andere buitenbeentjes.

Over een paar dagen ga ik weer naar Barcelona. Naar daar waar bijna tien jaar van mijn leven ligt. Mijn gezin is er geboren. Ik heb er mijn eigen ‘familie’ gevonden: vrienden met wie ik lief en leed deel. Ik heb heel veel zin om na een maand uit de koffer geleefd te hebben weer thuis te zijn. Echter, ik weet dat thuis straks niet meer mijn thuis is en daardoor voel ik me, bij gebrek aan een beter woord, toch wat ontheemd. Heel langzaam, bijna ongemerkt, ben ik al maanden afscheid aan het nemen. Stuk voor stuk worden onzichtbare draadjes losgeknipt. Ik doe en zie dingen voor de laatste keer. Dus ja, ik heb heel veel behoefte aan thuis zijn, maar zie er, in alle eerlijkheid, tegenop om terug te gaan naar het huis waar mijn bed staat en waar ik post ontvang. Want ik wil de allerlaatste draden niet losmaken en ducht het aanbreken van de dag waarop ik voor het allerlaatst afscheid moet nemen.

Ik ben een gezegend mens, op velerlei vlakken, maar toch voel ik me verloren. Ik wil naar huis.