Als de dag van gister

Lichtgeraakt. Soort van afwezig. Plotseling verdrietig. Gauw geïrriteerd. Mijn lijf herinnert. Reageert. Waarschuwt.

Weken terug. Een vriendin in verwachting. Haar ziekenhuis het mijne. Vergeten dia’s van beelden van lange gangen. Bebrilde dokters in witte jassen. Een drukkende, zomerse hitte die mijn lijf niet kon verwarmen.

De beelden komen en ik laat ze weer gaan. Zoek wat boeken bij elkaar voor mijn vriendin. Kijk in de kast en bedenk wat ze nodig kan hebben.

De telefoon trilt in de tas in de gang. Whatsapp. Het is niet goed. Het is niet meer.

Haar verdriet. Haar verlies. Hun verlies. Niet van mij. Zo voelt het ook niet. Maar het herinnert. Raakt een zenuw. Gaat naar binnen, daar waar de deur langzaam opengaat, zoals altijd in mei.

Acht jaar geleden was de lucht strakblauw. De lentebries welkom. M’n ouders samen. Een zaal ijskoud. Mijn partner verloren. Een zuster harteloos. Mijn dromen wreed. Haar huid vederzacht. Het leven te moeilijk.

De tijd kan niet anders dan geduldig verder tikken. Toch staat ze af en toe even stil. Kijk ik achterom. Huil. Lach. Droom. Fantaseer. Wat als? Tik. Tik. Tik. Draai je om. Nee, nog even. Loop door. Ja, maar… Rennen! Ik kom.