Klappen

Elke ochtend, soms rond een uur of negen, soms rond een uur of tien, loopt er een man voorbij mijn huis. Ik weet dat, omdat ik hem hoor.

Hij woont ergens in de buurt van de crèche. Dat denk ik, want op een ochtend kwam ik hem tegen op weg van huis naar de crèche. Ik hoorde het geluid van twee handpalmen die tegen elkaar kletsen en dacht: hé, dat klinkt bekend. Zou het? Het was ‘m.

Hij kijkt vriendelijk uit zijn ogen. Hij heeft donker haar, een flinke mat met krulletjes erin. Het is zo iemand van wie ik nooit weet of hij nou wel of geen bril draagt. Als ik hem zie, denk ik: o ja! Maar zodra hij voorbij is, weet ik het al niet meer. Hij draagt altijd een spijkerbroek en een T-shirt, en heeft altijd een rugzak om. ’s Avonds, soms rond een uur of zeven, soms acht, soms later, komt hij weer voorbijgelopen, nu de andere kant uit. Richting huis. Denk ik.

Altijd wanneer ik hem zie, of hoor, ben ik voornemens hem een keer aan te spreken. Hij klapt namelijk altijd in zijn handen. En ik meen dat het altijd hetzelfde ritme is. Ik zou je hier niet kunnen uitleggen hoe het klinkt, behalve dan dat er best een beetje tempo in zit.

Ik vraag me dan van alles af: hoe heet je? Waar ga je naartoe? Waarom klap je in je handen? Sinds wanneer doe je dat? Wat voor betekenis heeft dat ritme voor jou? Hoe eet je? Hoe drink je? Hoe ga je naar de wc? Is het vervelend om dan niet te klappen, of klap je al poepend verder? Hoe gaat dat als je wakker wordt, begin je dan gelijk met klappen, of wat voor andere handelingen en gedachten gaan daaraan vooraf? Heb je veel eelt op je handen of verzorg je ze elke dag? Wat doe je voor werk en wat vinden je collega’s ervan dat je de hele dag in je handen klapt? Of doe je dat misschien alleen als je loopt? Is het om je wandelgang te vergezellen of ondersteunen?

Ooit komt de dag dat ik de moed bijeenraap om hem aan te spreken, wanneer ik hem per toeval tegenkom. Ik heb me al vaak voorgesteld hoe ik dan naast hem ga lopen, zenuwkriebels in mijn buik, een rood blosje op mijn wangen.
‘Mag ik je misschien wat vragen?’
Daar beginnen toch soms de leukste gesprekken mee.

Vader

Op Facebook verschijnen de eerste gelukswensen en foto’s van kindertekeningen: het is Vaderdag in Spanje. Aangezien dit pas het eerste jaar is dat S naar de crèche gaat, wist ik niet goed wat me te wachten stond. Of hij met een (door de juf) zelfgemaakt knutselwerkje thuis zou komen, of een simpele tekening (lees: slordige lijnen willekeurig over het papier gekrast). En dat die dan voor mij was, ‘Voor papa’ voor mama. Maar aangezien hij ziek thuis is, gaat voor het derde jaar op rij de Día del Padre ongemerkt aan ons huis voorbij.

Ik heb daar de laatste tijd wel over nagedacht, hoe ze dat op de crèche zouden aanpakken en of er dan ook uitgelegd zou worden wat Vaderdag is. En of S dat dan zou snappen, of dat ie daar nog wat jong voor is. Maar vanmorgen vertelde iemand me dat Vaderdag al lang niet meer gevierd wordt op school. Blijkbaar zijn er zo veel uiteengevallen en verschillend gestructureerde gezinnen zonder aanwezige vader, dat ze die dag liever niet vieren. Vermijden is misschien beter gezegd.

Ik vermoed dat ik nog zeker een jaar gevrijwaard ben van simpele, doch zwaarbeladen vragen. Maar ooit komen ze: ‘Wat is een vader? Wie is mijn vader? Waar is mijn vader? Waarom is hij daar en niet hier? Waarom? Waarom? Waarom?’

Ai, de ‘daaroms’…