Geuren van het verleden

Als ik de droge was van het rek haal en opvouw, druk ik altijd wel een handdoek of T-shirt tegen m’n neus. Zo ook vanmorgen. Altijd neemt de geur van mijn wasverzachter me mee naar het huis van de vader van mijn zoon. Naar zijn trui. Naar zijn lakens. Altijd dompel ik me dan een seconde of twee, drie in nostalgie. Langer niet.

Ik mijmer wel langer door als ik langs de bloemist loop en viooltjes of geraniums ruik. De bloembedden rond het gras in de tuin van het plattelandshuis van mijn opa en oma stonden er vol mee. Met mijn ogen dicht ben ik weer een heel jong meisje, een mollig ding dat in haar zeeblauwe bikini in het gras speelt met haar vijf jaar jongere nichtjes. Ik hield van die tuin, wie niet? Veel gras om op te spelen en over te rennen, veel bloemen om aan te ruiken en – helaas – ook veel bijen en wespen die erop afkwamen. Het grasveld bestond uit twee stukken die van elkaar werden gescheiden door een bloembed met een boom en wat struiken. Op het kleinere stuk hielden we een barbecue of speelden we badminton. Vanuit de tuin keek je over het maisveld aan de overkant van de smalle landweg. Bij de verbouwing van het huis verdween de tuin zoals hij was. Ik heb daar jarenlang verdriet van gehad en nog steeds mis ik die veelkleurige, heerlijk ruikende oase.

Van de geur van anijs word ik altijd blij, maar ik zou niet weten waarom. Redbull vinden velen smerig, maar ik hou van die vies-zoete geur. Hij hoort bij lange roadtrips en – sorry, maar ik vind dat ik eerlijk moet zijn – ondamesachtig harde boeren.

Een heel enkele keer, echt zelden, passeer ik een man op straat die het kruidige parfum Fahrenheit draagt. Ik snuif dan eens extra en denk aan mijn eerste echte liefde. Laatst vond ik een hangertje dat hij me destijds – ik was 15 jaar en obsessief verliefd – gaf en ik rook het bijna. Of het überhaupt Fahrenheit heet, weet ik eigenlijk niet eens zeker.

Over parfums gesproken: er is een heel lekker damesparfum, maar ik weet niet hoe het heet, dat ik eigenlijk helemaal niet meer lekker vind. Al is het een jaar of twaalf geleden, ik loop zo weer door de voordeur naar binnen van iemand die ik ooit kende. Zij rookte en was zo iemand wiens haar, huid en kleding naar rook stonk. En als ware het gisteren kus ik haar gedag terwijl de mengeling van sigarettenrook en dat heerlijk zoete, sensuele parfum mijn neusgaten prikkelt. En ik denk: hoe is het toch mogelijk dat mannen met jou mee naar huis gaan?

Als ik met m’n zoon in de dierenwinkel ben, brengen de vele geuren me terug naar de tijd waarin mijn hond nog bij me was. Af en toe mis ik dat: hem ruiken. Niet die vage hondenlucht die in huis kan hangen als er onvoldoende gelucht wordt, of het intens smerige nattehondenaroma. Maar dat lekker muffige achter zijn spitse oren, of dat wat achterbleef op mijn handen als ik hem flink gekroeld had. Dat is natuurlijk heel persoonlijk, want alle andere honden stinken, dat dan weer wel. Niks lekkers aan als ik de hond van een kennis geaaid heb. Zo dacht iedereen vast ook over mijn ‘sneeuwbal’.

Ik ruik ook graag aan m’n zoon. Als hij net wakker is, lekker slaapmuffig. Als hij net in bad is geweest, Zwitsalfris. Ik ruik graag aan zijn kroeldoekje: het is een mengeling van heel veel hem, Zwitsal bodylotion, een zweempje pepermuntachtig Luuf en een beetje opgedroogd speeksel. Jammie. Zwitsal rook voor mij altijd naar vroeger en schoon en gaf me een vrolijk, geborgen gevoel. Het gaf een gevoel van thuis. Nu zal ik het voor altijd associëren met S.

Kamillethee ruikt naar mijn andere S. Tijdens mijn zwangerschap van haar dronk ik er, op aanraden van een vriendin, liters van om mijn misselijkheid tegen te gaan. Nog jaren erna werd ik misselijk van de geur van kamillethee, nu kan ik weer af en toe een kopje drinken.

En op dit moment, waarop ik aan het schrijven ben, is er niets dat me meeneemt naar het verleden. Mijn nieuwe thuisgeur komt uit de keuken waar muffins met dadels, havermout en bruine suiker staan te bakken. Lekker.