Troosteloos

De opruimwoede van mijn moeder irriteerde mij altijd mateloos. Altijd maar kasten schoonmaken en spullen weggooien. Ik zei haar weleens dat het gezegde ‘Wie wat bewaart, heeft wat’ niet voor niets bestond. Ik heb jarenlang gedacht: ik bewaar alles hoor, gewoon in een doos op zolder, in de berging, in een schuur …

Maar ja, ik verhuisde naar het buitenland en had geen schuur noch zolder. Ik verhuisde tien jaar later weer terug en had hier niet eens een huis. Dus ook ik heb geruimd en weggegooid en dat is erin gebleven. Een paar keer per jaar vliegt een bepaalde onrust me aan en raus ik door het huis om alle prullaria die toch ongezien het huis in zijn gekomen, weer weg te doen. Boeken mogen blijven. En de mooiste tekeningen. En kaarsen. En foto’s. En schilderijen. Ja, en dat potje met liefdeswensen die mijn zoon op de opvang heeft gemaakt. En die stenen van het strand in Barcelona …

Ik moest eraan denken, aan haar opruimwoede en mijn afkeer ervan, toen ik vanmorgen drie keer heen en weer liep naar de textielcontainer van het Rode Kruis. In mijn handen zakken met haar kleding. Ik voelde me er een beetje schuldig onder: moest dit echt nu meteen? Kon ik haar kleren niet nog een tijd bewaren? Maar met welk doel? En ook praktisch, want we wonen niet heel groot, zonder schuur, zonder zolder: waar dan? Ik besefte dat haar opruimwoede toch echt ook in mij zit.

Morgen wordt mijn moeder begraven. Na het maken van een fotopresentatie waarvoor ik meer dan dertig fotoalbums heb doorgespit (die had ze gelukkig nog wel!), het regelen van bloemen en bloemstukken, het uitzoeken van muziek, het nadenken over speeches, en het schrijven en sturen van kaarten volgde de coronagerelateerde berichtgeving: er mogen tot honderd mensen aanwezig zijn. Begrafenisondernemer en horecapersoneel inbegrepen. Poeh, dacht ik, dan moeten we komende dagen onder het mom van nood breekt wet maar iedereen gaan bellen met de vraag of ze van plan zijn te komen om te kijken of we niet die honderd mensen overschrijden. Een beetje gek is het wel, maar ja, mensen aan de deur van het uitvaartcentrum wegsturen is ook zo wat.

Maar daarna werd het nog rigoureuzer: alleen eerstelijns familie mag nog komen. Toen ik dat hoorde, heb ik ook de aula die we mochten gebruiken voor de herdenking maar afgezegd. ‘Wilt u niet nog wat muziek draaien?’ Nee, dat wil ik niet. Niet zo.

Met alle begrip voor de maatregelen, heus, ik sta er echt achter, maar dit afscheid is niet minder dan mensonwaardig. Zij verdient zo veel meer dan een kale begrafenis zonder plechtigheid, zonder bezoekers. Ík verdien ook zo veel meer. Haar familie, vrienden, ex-collega’s, verzorgenden, kennissen, buren net zo goed. Zo’n plechtigheid, zo’n bijeenkomst is een samenzijn bedoeld om troost te bieden aan allen die met verdriet achterblijven. Bij troost hoort een omhelzing, een blik, een gesproken woord, een gedeelde glimlach. Zonder al dat is het hard en koud. Troosteloos.

De regels van de uitvaartorganisatie ten spijt, gaan haar kleinzoon, haar broers en zussen toch mee. Met een afstand van minimaal anderhalve meter tot elkaar zullen wij om haar graf staan. Een gedicht voorlezen. Een lied zingen. Een paar woorden spreken. Afsluiten, denk ik, met het Onze Vader. Daarna mogen we niet even samenzijn en bijkomen met een kop koffie of een borrel. We moeten ieder onze auto in en weer alleen terug naar huis.

Thuis word ik omringd door de relatief weinige spulletjes die ze nog had. Hier zal ik orde moeten scheppen in dit rare door corona geregeerde leven. Ik ga bedenken hoe haar herdenking, want die komt er hoe dan ook, er in de toekomst uit zal komen te zien. Terwijl ik de cd’s bekijk en een enkele beluister die ze had bewaard, gaan mijn gedachten naar de afgelopen week. De laatste 48 uur van haar leven konden we bij haar zijn. Geen minuut is ze alleen geweest. Dat lijkt zo normaal, maar ik besef ook dat we van geluk mogen spreken. Het gaat er steeds killer aan toe, almaar eenzamer. Iemand anders’ moeder of vader sterft alleen en ik kan niet bevatten hoe treurig, hoe afschuwelijk dit moet zijn.

Fijn is het, voor mij althans, dat ze niet alles heeft weggegooid en ik dan toch nog iets tastbaars heb: foto’s, cd’s, agenda’s, een paar schoolschriftjes van vroeger. Het helpt de herinneringen komen. Het helpt de leegte vullen die ontstaan is en die ik in mijn eentje zal moeten opvullen. En ik denk dat het tastbare iets van troost kan bieden en daardoor te zijner tijd zal helpen met het opruimen van het verdriet.

Voorgevoel

De telefoon gaat en je weet direct wie het is, zonder te kijken op je scherm. Of je denkt heel sterk aan iemand en diegene staat plots voor je deur – terwijl dat geen gewoonte is. Kent u dat? Er zijn mensen, ik weet niet met hoeveel we zijn, ja, we, want ik behoor ook tot die groep mensen, die dingen voorvoelen. Soms of vaak, in verschillende hevigheid.

Zo’n telefoonverhaal stelt niks voor. Maar zo droomde ik bijvoorbeeld ooit van een metro-ongeluk in Barcelona, vrij specifiek, en binnen een paar dagen knalden er daadwerkelijk twee stuks op elkaar. Vond ik best apart. 

En zo gebeurt het dat ik nu in tranen zit te tikken. Ik heb een zwart voorgevoel en ben te bang om de telefoon op te pakken en ik stel het uit door mijn laptop open te klappen en een nieuw document te openen. Ik zie niet veel, de deleteknop zal straks eraan te pas moeten komen om mijn tikfouten te herstellen, maar typen zal ik. Wegschrijven. Rationaliseren. Tot rust komen.

Een van de rare dingen die ik weleens doe, is compleet uit het niets – ook voor mijzelf, want ik plan dat niet – een zelfverzonnen tekst zingen op een bestaand nummer. On the spot geïmproviseerd. Over wat er op dat moment allemaal moet gebeuren in het huishouden, of over het weekend dat we tegemoetgaan, soms over iets bloedserieus waarvan ik wat lading wil wegnemen – althans ik vermoed dat dat de reden is dat ik zoiets dan op die manier aanpak – en soms over ontzettend onzinnige dingen.

Zo kwam ik net de keuken uit met twee koppen thee in mijn hand en zong ik dat ik zo dadelijk met mijn zoon naar de bioscoop ga – het is maandag, we hebben een spijbeldag. Dus ik zong over dat-ie uit bed moest komen en dat we popcorn gaan eten bij Buurman & Buurman. Dat deed ik op een melodie die ik anders nooit gebruik. En eerst had ik niet eens in de gaten wat het was. Tot ik even zo gauw geen eigen tekst meer had en verder ging met het tweede refrein: U zij de glorie … (Voor uw in- en beleving: Iiiik gaaa met miijjn zoon nahaar dehuh bioscoop)

En ik denk het intelligente: huh? Waar komt dat nou ineens vandaan? Ik zing verder en mijn zoon kijkt me verbaasd aan. Wat is dat nou voor tekst? Mijn stem begint te knijpen. En ineens word ik overvallen door een groot verdriet en stromen de tranen over mijn wangen. Wat gebeurt er? Waarom voel ik me zo? Dan komen er allerlei verbindingen tot stand in mijn hoofd, tussen het lied, mijn moeder en momenten waarop je dit lied hoort: begrafenissen. Ik zoek het lied op in YouTube en laat het mijn zoon horen.

U zij de glorie, opgestane Heer
U zij de victorie, nu en immermeer
Uit een blinkend stromen
daalde een engel af
heeft de steen genomen
van ’t verwonnen graf

In stilte vraag ik me af: Is het einde nu echt nabij? Is-ie aan het afdalen om haar op te halen?

Ik zit nog steeds achter het scherm, heb nog niet gebeld, realiseer me nu ook dat ik wel gebeld zou worden als het zover was. Het tikken werkt, ik kom in nadenkmodus, de emoties gaan aan de kant. Misschien fungeren die wel als een soort bescherming, bereiden ze me vast voor op wat vroeg of laat komen gaat. Nu gaat mijn hoofd in beschermmodus. Het zegt: Bel niet. Ga popcorn eten.

Zondagmorgen

Met een onrustig gevoel in mijn borst loop ik de weg langs de marktkraampjes terug. Overal vraag ik of ik mijn agenda daar heb laten liggen. Daar staan belangrijke dingen in. Die mag ik niet kwijtraken. En ik moet snel zijn, want er wacht iemand op me. Een koopman geeft me een kartonnen doosje dat ik heb laten staan – maar dat ik niet herken. Er zitten foto’s in van vroeger. Foto’s die ik nooit eerder zag. Maar mijn agenda dan?

Een geluid. Het is een deur die langzaam opengaat. Schuifelende voetjes. ‘Esther?’ klinkt een jongensstem naast mij. Zal ik doen alsof ik nog slaap? Ik wou dat ik nog sliep… ‘Esther?’ vraagt hij nog eens. En nog eens.
‘Hmmm,’ eerst m’n stem wakker maken. ‘Ja moppie?’
‘Mogen we op de iPad?’ Ik voel een lichte ergernis, moet ik daarvoor gewekt?! Ik zoek mijn mobiel, 7.32 uur. Te vroeg! En ik heb straks avonddienst!
‘Lieverd, het is pas half acht en het is zondagochtend!’
‘Wij zijn altijd om half acht wakker.’ Ik ben even stil, denk na. Te zoet ook eigenlijk, dat-ie het komt vragen, in plaats van dat ding gewoon te pakken.
‘Nou. Ja. Oké, toe maar.’ Hij loopt terug naar de slaapkamer.
‘Jongens, we mogen op de iPad.’ Zouden ze de jongste expres hebben gestuurd om het op te knappen?

Ik draai me weer om, sluit mijn ogen. Het was een droom, besef ik, ik was mijn agenda niet echt kwijt. Ik liep niet over een markt in… was het Den Haag? Maar van wie waren die foto’s eigenlijk? En met wie was ik daar? Wie wachtte op mij? Ik hoor de deurklink bewegen, nauwelijks, maar toch, en dan het mij overbekende zachte geluid van de blote voeten van mijn zoon op de houten vloer. Hij zet ze behoedzaam neer, weet ik, omdat hij mij niet wakker wil maken. Ik open een oog en zie hoe hij de iPad tussen een stapeltje boeken in de kast vandaan probeert te halen. Hij stoot per ongeluk een muis om die daar eigenlijk nooit ligt. Het ding valt op zijn voet uit elkaar. ‘Au! Au! Ooo, sorry!’ Ik moet een lach onderdrukken.
‘Gaat het een beetje? Doet het erg pijn?’
‘Het gaat wel. Sorry mam.’
‘Goeiemorgen schat.’
‘Goeiemorgen we mogen toch op de iPad?’ De woorden vliegen van zijn tong.
‘Ja, dat mag. Maar je gaat niet schieten, daar ben je te jong voor en het is veel te vroeg.’
‘Nee, ik ga DuoLingo doen.’ Zijn braafheid ontroert me, maar ik weet heus wel hoe het eindigt.

Dan komt de derde, de oudste van het stel de kamer in. Niks voorzichtigheid. De deur gaat met een zwaai open en hij wandelt naar de gang om zijn eigen iPad te pakken. Ik kom overeind en strek mijn armen naar hem uit. ‘Kom maar even, dan voer ik de wifi in. Die heb je toch nodig?’ Hij knikt. Dat invoeren, van een code die we pas een week of twee hebben, gaat zowaar in een keer goed. Ik aai hem over zijn bol: ‘Heb je eigenlijk wel lekker geslapen?’
‘Ja, we hebben gelukkig niet lang gekletst.’ Er verschijnt een lach op mijn gezicht. Als ik ging logeren, wilde ik niets liever dan de hele nacht kletsen.
‘Maar jullie hebben toch best wel lang liggen lezen.’
‘Ja, want Sam vindt lezen toch ook leuk?’ Ik beaam dat en dan draait hij zich om richting de slaapkamer.
Ik probeer nog: ‘Liever niet schieten en zo hoor, het is nog zo vroeg.’ Hoewel ik daar echt in geloof en serieus tegen al dat spelgeweld ben, hoor ik ook hoe suf dat moet klinken in zijn oren. ‘Ach, laat ook maar. Je hebt je eigen afspraken met je ouders. Speel maar gewoon waar je zin in hebt.’

Drie jonge jongensstemmen klinken algauw vanuit de slaapkamer. Zo veel lol. Nog voor 8.00 uur, op zondag. Ik hou van mijn slaap, maar nog meer hiervan.

Als de dag van gister

Vorig jaar schreef ik op deze zaterdagavond (het was toen 8 juli): ‘Steeds is het afscheid nemen een beetje moeilijker. Steeds vraag ik me af: zie ik je nog eens?’

Ik zag mijn broer niet meer. Op vrijdag 7 juli had de arts in het ziekenhuis gezegd dat hij niet meer terug hoefde te komen. Uitbehandeld. Laatste fase. Afwachten. Dat soort dingen. Woest was-ie. Onze vader en zijn moeder zouden nog geen jaar later allebei hun tachtigste verjaardag vieren – en hij zou dat niet meemaken. We hadden het allemaal aan zien komen, maar waren toch, tegen beter weten in, blijven hopen op een wonder.

Als de dag van gister zie ik ons zitten op een terrasje in de Bosjes van Pex, achter zijn huis. Zijn vrouw, zijn beste vriend, onze vader met zijn partner, de kinderen. De zon scheen, zijn semi-professionele camera lag op tafel. Hij dronk icetea, wij namen koffie en later een glas wijn. De kinderen sprongen op een luchtkasteel en we bestelden pannenkoeken en appelsap.

Nog altijd voel ik het ongemak dat als een draadje tussen ons allemaal gespannen stond. Een voorzichtige lach probeerde het verdriet op onze gezichten te maskeren. Soms liet iemand zijn tranen gaan. Patrick was boos, zo boos… En wat in de kinderen omging, daar konden we alleen maar naar raden. Uit alle macht probeerden we een soort van leuke middag te hebben met elkaar, een waardevol samenzijn te hebben. Maar dat ging niet zonder te benoemen wat er aan de hand was. De behoefte aan een écht gesprek was zo tastbaar en het hardop benoemen van de werkelijkheid zó nodig. Maar niemand van ons wilde daadwerkelijk beseffen dat haar man, hun vader, hun zoon, hun broer, hun vriend, er binnenkort niet meer zou zijn. Dat besef was té pijnlijk.

Dat is terug te zien in de foto’s. Na zijn overlijden, drie weken later, kreeg ik een envelopje met daarin afdrukken van foto’s die Patrick zelf nog die middag van mij had gemaakt – hij had de zoomknop fervent gebruikt. Ik kijk er niet graag naar, maar koester ook het laatste beeld dat hij van zijn zusje had.

Hij wilde die middag lopend naar huis, verfoeide de rolstoel. Mijn zoon ging erin zitten en we maakten een geintje, zo’n gemaakt moment waarop je weer even adem kunt halen. We hebben daar ook een foto van: onze vader, Patrick met wandelstok naast de rolstoel, mijn zoon erin en ik erachter.

Vorig jaar schreef ik: ‘Vrolijk toeterend en zwaaiend rijden we weg, maar zodra we de hoek om zijn, biggelen dikke tranen over m’n wangen. Er is geen houden meer aan. M’n zesjarige zit naast me en vraagt: ‘Oom Patrick?’ Ik knik.

Het was de laatste keer dat ik hem zag.

Keuzes

Vanmiddag liepen we over de markt in de binnenstad. Ik was al bij de Dirk geweest voor de boodschappen, maar die had sommige producten niet. Dus bij de Marokkaanse stand kochten we Libanees brood, twee zakken met elk vijf stuks, voor 1 euro. Ook zat er een granaatappel in mijn linnen schoudertas, en een bakje Turkse rode pepervlokken. Ja, na een uitzending van Masterchef Australia was ik heel wat van plan in de keuken.

We slenterden wat met de meute mee en ik vroeg: ‘Zullen we ergens op een terras wat drinken en een boekje lezen, of zullen we dat thuis doen?’ Terras, was het antwoord. ‘En wil je dan in de zon zitten, of in de schaduw?’ Daar moest-ie even over nadenken; het werd de schaduw. Het waren de twee keuzes van de dag: thuis of terras? Schaduw of zon? We vonden een picknickbank op een terras aan het water. En terwijl hij in de schaduw zijn boek las en ik naar de drukte op de singel keek – sloepen en rondvaartboten deden een heuse botenpuzzeldans – dacht ik aan de keus die ik vandaag dertien jaar geleden moest maken. Die was van een geheel andere orde: de zwangerschap afbreken, of niet.

We hadden net te horen gekregen dat ze verschillende hartafwijkingen had en dat ze hoogstwaarschijnlijk tijdens de zwangerschap en anders wel tijdens of vlak na de geboorte zou komen te overlijden. Ze hadden ons geadviseerd de zwangerschap af te laten breken, maar lieten de keuze aan ons.

Dus daar liepen we. Ontredderd. Verdrietig. Vol ongeloof. Lamgeslagen. Laten we ons ongeboren kind leven en wachten we het onvermijdelijke moment van overlijden af? Of gaan we af op het doktersadvies? Eerst begreep ik niet hoe we die keuze moesten maken. Zag het als totaal onmenselijk. Op een later moment was het ineens klip en klaar: we gingen onnodig lijden uit de weg.

Hoewel we op dat moment achter onze keuze stonden, heb ik er later toch vaak nog aan getwijfeld. En nog steeds. Ja, ik weet het, het heeft geen zin om daarbij stil te staan. Maar toch. Onnodig, schreef ik net. Was het onnodig geweest? En wat nou als… Je ziet het op televisie, leest erover in buitenlandse media: er zijn wonderkindjes, die ondanks alle predicties en veel te jong geboren tóch overleven en gezond opgroeien. Dertien jaar. Ze zou straks dertien jaar worden.

Er is een tijd aangebroken, zoals elk jaar, waarin elke vezel van mijn lichaam zich bewust is van wat er toen is gebeurd. Of ik nou wil of niet, het herbeleven hoort erbij. Het ene jaar wat heftiger dan het ander. Daar kies ik niet voor, dat gebeurt gewoon.

Met z’n drietjes

Vorig jaar 8 april was net zo’n mooie dag als vandaag. Blauwe lucht, warme zon, frisse wind. We zaten op het dak van het huis van onze oudste broer. Bijzonder, want zo vaak waren wij drietjes niet samen. En we wisten dat de kans klein was dat het nog eens zou gebeuren; uitzaaiingen in zijn ruggenmerg en hoofd. Een paar weken, maanden misschien, had de dokter gezegd.

‘Hoe breng je nu je dag door, Pat?’ vroeg ik. Dat deed ik met een bedoeling: ik wilde weten of er iets was wat we samen nog konden doen, iets wat hij graag wilde. Werner speelde hier direct op in. Hij had dezelfde gedachtengang als ik en nu het gesprek over Patricks energie ging, was er een opening gecreëerd:

‘Heb je misschien een soort bucketlist?’ vulde hij me aan. Ik zag dat Pat zijn jongere broer een niet-begrijpende blik gaf. Hij snapte niet waar Werner op doelde. ‘Is er iets wat je nog graag zou willen doen? Binnen wat mogelijk is natuurlijk,’ verduidelijkte hij. We hoopten allebei dat er iets was, en dat we konden bijdragen aan dat iets. Dat we het mede mogelijk konden maken. Een korte wandeling op een mooi strand, een visje eten aan de boulevard, een schilderij bekijken, de nieuwste vinylplaten luisteren in een muziekwinkel. Iets simpels wat we samen konden doen.

Maar Patrick schudde zijn hoofd en maakte een rondbewegend gebaar met zijn arm.
‘Dit is alles wat ik wil. Thuis zijn met mijn familie.’ We waren alle drie even stil. Toen sprak hij langzaam, met zachte stem, maar zeer gedecideerd: ‘Ik heb maar één wens en dat is dat ik beter word. Ik hoef nergens heen, ik wil niets meer doen. Ik wil alleen maar beter worden. Ik wil alleen maar beter worden.’ Hij zuchtte diep en fluisterde nu. ‘Ik wil alleen maar beter worden.’

Het was een doodsimpele wens. Helder, en vanuit een intens verlangen geformuleerd. Het enige en alles wat hij wilde, was bij zijn gezin blijven. Zijn kinderen zien opgroeien. Hij hoefde niet naar zee, hoefde niet nog iets moois te zien, geraakt te worden door indringende muziek. Het zou hem worst wezen. Alles was onbelangrijk, niets deed ertoe, behalve dat ene: beter worden. In elk gesprek vertelde hij dat hij niet klaar was om ze achter te laten. Dat hij ze niet wilde missen, alsof het niet andersom zou zijn, als hij er niet meer zou zijn.

Hij wist maar al te goed dat de ziekte hem bij de lurven had, maar hij bleef hardnekkig volharden in dat er altijd wel iemand was die op miraculeuze wijze genas. Die iemand zou hij zijn. Maar toen de tumor inderdaad gekrompen bleek, durfde hij toch niet te hopen. Dat veranderde toen dat kloteding een paar weken later ineens weer de geest kreeg en ruimte in zijn hoofd begon in te nemen; hij zei niet op te geven. Ook toen bleek dat er uitzaaiingen waren, in zijn rug en in zijn hersenen, bleef hij focussen op ná het ziekteproces. Over zijn uitvaart mochten we niet praten, wel over het feest dat hij zou geven als hij compleet genezen was. Diep in zijn hart wist hij heus wel hoe het zou gaan, maar hij koos ervoor het te ontkennen. Dat was namelijk alles wat hem overeind hield. Haast obsessief klampte hij zich vast aan het nog ongeschreven scenario waarin hij over een jaar of wat met vrienden zou proosten op zijn genezing. Dat was makkelijk te visualiseren. Het onbekende daarentegen, de beangstigende dood, niet. Bij niks kon hij zich niets voorstellen – ik ook niet.

Werner stuurde me zojuist een foto van ons drieën, daarboven op dat dak onder een blauwe lucht, met toegeknepen ogen door het felle licht van de zon. Hoewel hij het er niet bij schreef, vermoed ik dat hij bij het zien van die foto en bij de herinneringen aan die bijzondere dag ook niets liever wil dan dat: met z’n drietjes zijn, in volle gezondheid. Net als ik. Net als Pat.

Nooit meer onafhankelijk

De kop thee verwarmt mijn handen. Niet dat het nodig is, want het is bloedheet in de gezamenlijke huiskamer. ‘Nou mam, ik ga er zo vandoor.’ Ze kijkt me aan en ik tuur diep in haar ogen. Tien jaar terug zou haar blik de mijne hebben doorboord, nu reikt-ie niet zo ver. Toch zie ik er iets in veranderen; hij wordt vastberaden, ze neemt zich iets voor. Ze moet en zal me iets vertellen. Haar bovenlijf beweegt naar voren en opzij en met de duim, wijs- en middelvinger van haar rechterhand op elkaar, wijzend in het luchtledige zegt ze: ‘Esther, ik wil toch snel met je praten.’

Ik wist dat-ie kwam, net zoals ik weet hoe dit gesprek nu verder zal gaan. Onmerkbaar voor haar adem ik langdurig uit. ‘We moeten het eens hebben over de financiën. Ik heb helemaal niks, ik kan niks.’ Haar bovenlichaam zakt ineen, laat overduidelijk de onmacht die ze voelt zien. Ik zucht nog eens diep, onhoorbaar. Het is een gesprek dat ik al ontelbare keren heb gevoerd met haar en waar ik nooit zin in heb. Ik kan de klok erop gelijkzetten; het ontstaat altijd op het moment dat ik aankondig dat ik over een paar minuten ga, of als ik met mijn jas al aan op de drempel sta, of als ik aan de telefoon vertel dat ik zo ga ophangen. Het is onderdeel geworden van een nieuwe routine, of liever gezegd een nieuw onderdeel van de levenslange routine van tijdelijk afscheid nemen. Voorheen was het ‘Doe voorzichtig’, ‘Niet te hard rijden’ of een haast verongelijkt ‘Nou, veel plezier dan maar’. Nu is het ‘We moeten praten over mijn geld’. En het loopt nooit goed af.

Toen dit een paar jaar geleden begon, nadat ze geen nieuw bankpasje meer kreeg – omdat ze geen weet meer had van geldbedragen, het pasje om de haverklap kwijtraakte en de pincode overal, maar dan ook overal opschreef – ging ik nog weleens de discussie aan. Onwetendheid was dat. Onwetend dat juist ik nooit degene zou kunnen zijn die haar het besef ging bijbrengen dat het zo beter, veiliger was. Ik had toen nog niet in de gaten dat ze me nooit meer zou vertrouwen en dat ik voor altijd degene zou zijn die haar niet alleen haar auto, maar ook haar geld had afgepakt. Ik kon niet weten dat ze nooit zou beseffen dat haar geld, haar geld zou blijven. Ik was onwetend dat ze nooit zou onthouden dat er geld in een kluis ligt waarmee ze kleine boodschappen kan doen. Het is haar al zo vaak verteld, maar ze slaat het niet op. Zoals ze ook niet opslagen heeft dat ze al sinds jaar en dag überhaupt zelf geen boodschappen meer doet. Dat eerst een buurman zich daarover ontfermde, en nu de meiden van de afdeling. Dat simpele ding van alledag, datgene wat ze jaar in jaar uit bijna dagelijks deed, het zit nu eenmaal in haar hoofd geprent dat ze daar geld voor moet hebben.

Maar goed, ‘We moeten praten over de financiën’. Dan zegt ze vaak iets over dat we samen de papieren moeten bekijken, laatst nam ze het woord ‘schulden’ in de mond. Die heeft ze niet, volgens mij ook nooit gehad. Ik probeer haar vervolgens gerust te stellen door te zeggen dat alles automatisch wordt betaald, dat ik overal voor zorg, dat alles is geregeld. Ze heeft het over afspraken maken en dan refereer ik naar de notaris, waar ze zelf ooit naartoe is geweest om die afspraken zwart op wit vast te leggen. Vaak kijkt ze me als antwoord aan met een blik die verraadt dat ze denkt dat ik lieg.

Ze noemt dat ze geen cent heeft, dat ze niks kan kopen. Voorheen vroeg ik dan wat ze wilde kopen, zei dat we dat samen konden doen, noemde ik het feit dat ze toch nooit alleen meer uit winkelen ging en er altijd wel iemand was die haar gezelschap hield en wel even wat voor kon schieten. Ik probeerde uit te leggen dat je op de afdeling niet veel geld mág hebben, uit zelfbescherming.

Maar het heeft geen zin, want door die rotziekte snapt ze het niet. Ze vraagt, ze eist van me dat ik iets doe, een oplossing zoek, dat ik haar geld geef, veel geld. Ik zeg dat ik dat niet kan doen en dat maakt haar begrijpelijkerwijs verdrietig en boos. Ik kan me er slechts een voorstelling van maken van hoe dat moet voelen, als je ergens vanbinnen toch nog soms weet dat je niet meer onafhankelijk en zelfstandig bent. Dat je je herinnert hoe het is om geld uit te geven, je eigen zuurverdiende geld, maar dat niet meer kunt. O, de onmacht en frustratie.

Dus nu luister ik. En als ze zegt dat het haar zo boos en verdrietig maakt, knik ik rustig met mijn hoofd en zeg ik zachtjes dat ik dat wel snap. Dan draait ze haar hoofd weg en kijkt ze me niet meer aan. Ze vloekt ongegeneerd en hardop, iets wat ze vroeger nooit deed, en beklaagt zich. Soms scheldt ze me vanuit haar tenen uit voor trut, een heel enkele keer voor kutwijf. Want ik heb het gedaan.

We staan op, zij loopt vast richting de deur. Ik schiet de verzorgende aan en waarschuw dat ik mijn moeder aangedaan achterlaat, maar dat ik echt moet gaan, omdat ik mijn zoontje zo uit school moet halen. Een meewarige blik, een bedankje en een tot gauw. Ik loop mijn moeder achterna de huiskamer uit. Ik moet er rechts uit, via de deur met toegangscode. Zij loopt de gang in naar links, draait zich nog even om, laat me haar tranen zien, draait me weer de rug toe en loopt verder naar haar kamer. Ik heb intens met haar te doen.

‘Dag mam.’

Tot een poosje geleden maakte dit mij zo verdrietig dat ik de vijftig minuten in de auto naar huis door mijn eigen waterlanders naar de weg keek. Misselijk, met een hese stem en een verstopte neus kwam ik thuis. Nu word ik er nog weleens moe van, maar ik heb me erbij neergelegd dat dit er nu ook bij hoort.